Traditioneel wordt er onderscheid gemaakt tussen elfen enerzijds, en faeries anderzijds. Hoewel, zó traditioneel is dat nu ook weer niet. Het onderscheid wordt eigenlijk enkel gemaakt in fantasy. Sinds Tolkien, als min of meer algemeen aanvaarde peet- en stamvader van het genre, zijn elfen opvoerde als de wezens zoals hij ze definieerde, leek het immers onmogelijk om hen nog als leden te zien van de grote familie van dwaallichtjes, leprechauns of pixies.
Nochtans werden alle mogelijke varianten steeds onder de noemer “elfen” geplaatst, eeuwenlang. Figuren als Oberon, Finvarra en O’Donoghue – die meer bij het klassieke profiel van een fantasy-elf aanleunen – zowel als de Fenoderee, Bwca [Boeka], en Bogles, faeries dus, waren allemaal elfen. Elfen konden alle verschijningen aannemen: groot en edel, klein en grappig, lelijk en mismaakt, het bleven elfen, met als enige steeds weerkerende gemeenschappelijke kenmerk hun grillige en onmenselijke elfenaard.
Hoe kunnen zo’n uitersten ontstaan uit wat oorspronkelijk als één klasse creaturen gold, hoe kunnen de verschillen zo uitvergroot worden dat beide subcategorieën nu meestal als twee verschillende groepen zonder enige band worden beschouwd?
Allereerst is er de aard van fantasy, natuurlijk. Voor de niet-humanoïde elf kan geen grote rol zijn weggelegd in het redden van de wereld, of toch geen al te heldhaftige. Daar komt bij dat Tolkien’s versie makkelijk kon nagebootst worden waarbij alle subtiele nuances verloren gingen. Zo ontstond de elf als übermens. Maar misschien ligt de oorzaak ook nog ergens anders…
In de volksverhalen worden elfen opvallend vaak in verband gebracht met illusies. De voorbeelden zijn legio: geld dat er achteraf geen blijkt te zijn, elfenmuziek, verdwijnende of muterende elfen, wegzinkende elfensteden en –kastelen… Elfen blijken meesters van zinsbegoocheling, van het manipuleren van onze zintuigen.
Ze hebben bovendien een voorliefde voor het misleiden van mensen, het bespotten en op belachelijke wijze imiteren ervan. Alweer zijn er voorbeelden genoeg (op aanvraag verkrijgbaar ) en uit allemaal komen elfen als poetsenbakkers tevoorschijn, al dan niet met goede bedoelingen.
Zou het mogelijk zijn dat het opvoeren van de grote, mooie, edele elf slechts één van de grappen van het kleine volkje is? Dat zij zich kostelijk amuseren hun voorspiegeling van zichzelf als superwezens, en vooral met onze gretigheid om die versie te verkiezen boven de eeuwenoude volkswijsheden, dat het gewoon de zoveelste peer is die ze ons stoven en waarmee ze hartelijk lachen?
Ze hebben er de vaardigheid voor. Ze hebben er de juiste ingesteldheid voor. En wie eerlijk is, geeft toe dat de vanilla-fantasy elf eigenlijk een bespottelijke karikatuur is, die prima door hun temperamentvolle tegenhangers geschapen zou kunnen zijn.
Toch besef ik dat ik niet al te trots moet zijn op mijn eventuele ontmaskering van Het Grote Elfenbedrog. Want voor hetzelfde geld zijn elfen wel mooi en groot, en hebben ze er veel plezier in ons te laten geloven dat ze eigenlijk klein en vreemd zijn…