Mijn karakter voor de MotRD-sessie van Mandragondag IV
=-Rhanz=-
Achtergrond
Ethan Rayne
In 1864, net buiten Derby, in het zomerhuis van de familie Rayne, wordt op 14 augustus Ethan Alexander Rayne geboren. Zijn vader Gordon is een bankier die zijn fortuin heeft verkregen met slimme investeringen in de theehandel en zijn moeder Anna komt uit een gegoede familie. Dit betekent dat de jonge Ethan samen met zijn oudere broer Jonathan hun jeugd in weelde doorlopen. Ze krijgen thuis les van een privé-leraar en drie maanden in het jaar verruilt de familie het drukke, benauwde Londen voor hun zomerhuis in Derbyshire.
In tegenstelling tot zijn broer Jonathan, die net als zijn vader belangstelling heeft voor handel en geldzaken, kiest Ethan voor een ander, avontuurlijker pad. In 1880 wordt hij toegelaten als ‘Gentleman Cadet’ op het Royal Military College, te Sandhurst. Hij doorloopt zijn academiejaren onopvallend, en marcheert in 1884 mee in de ‘Sovereigns Parade’, de parade van de afgestudeerde cadetten. Een aantal weken later wordt hij ingedeeld in het leger. Hij zal, in afwachting van zijn commissie, gaan dienen als subaltern officier bij het tweede bataljon Sherwood Foresters (Derbyshire Regiment) dat gelegerd is te Lucknow, in India.
Na een lange reis komt hij aan in Lucknow, India. Eenmaal aangekomen dient hij precies twee maanden als subaltern officier, voor er een plek vrijkomt als tweede luitenant en hij zo zijn eerste commissie verkrijgt. De taak van het bataljon bestaat voornamelijk uit het houden van orde en zonodig het uitroken van nesten met opstandelingen. Zo gaan er drieëneenhalf jaar voorbij waarin hij naar volle tevredenheid van zijn manschappen en superieuren functioneert, helaas zonder promotie naar de felbegeerde rank van eerste luitenant.
In maart 1888, als de spanningen in het grensgebied tussen de Himalaya-provincie Sikkim en Tibet op beginnen te lopen, marcheert het tweede bataljon Sherwood Foresters naar de betwiste Mount Lungdo, als versterking van de daar reeds gelegerde troepen. Op 20 maart gaan de Britse troepen over tot de aanval en bestormen de Tibetaanse stellingen. De zucht naar eer, glorie en promotie dwingen tweede luitenant Rayne mee te stormen met de voorste troepen. De Tibetanen zijn echter niet verrast en hoewel ze ver in de minderheid zijn weten ze in eerste instantie de Britse aanvallers behoorlijke verliezen toe te brengen voor hun stellingen overweldigd worden door de Britse overmacht. In de volgende dagen vinden er nog wat schermutselingen plaats, maar uiteindelijk hebben de Britten de berg in handen. Omdat er nogal wat officieren zijn gesneuveld in de eerste aanval, vinden er een aantal promoties plaats. Ethan wordt bevorderd tot eerste luitenant.
Begin juni stuit een patrouille van het expeditieleger op een enorme Tibetaanse troepenconcentratie, die vele malen groter is dan het aantal Britten in de regio. Snel trekken ze zich terug naar hun eigen stellingen en berichten de komst van de vijand. De Britten kunnen voldoende voorbereidingen treffen om de eerste aanval van de Tibetaanse overmacht af te slaan. Tijdens de volgende vier maanden vinden er bijna onafgebroken schermutselingen plaats, waarin de slecht uitgeruste Tibetaanse troepen meestal het onderspit delven en de Britten doordringen tot op Tibetaans grondgebied.
In de laatste week van september is het front behoorlijk uitgestrekt en krijgt de eenheid waar Ethan in dient de taak een strategisch gelegen klooster te veroveren en te bewaken. Het enorme complex ligt behoorlijk afgelegen, hoog op een bergpas.
21 september 1888
We vertrekken morgen naar een groot kloostercomplex op één van de bergpassen aan de oostelijk flank. Het schijnt van strategische waarde te zijn, maar eerlijk gezegd ontgaat het doel van deze expeditie me. Het front is ondertussen zo uitgestrekt dat een eenheid Nepalese Ghurka’s verdwaald is geraakt in vijandelijk gebied en in een hinderlaag is gelopen. Toch lijken we aan de winnende hand te zijn, we zijn tenslotte al ver in Tibet doorgedrongen.
Sir John Ramsden is de kapitein die de expeditie gaat leiden en ik heb vertrouwen in zijn leiderschap. We zullen licht reizen. Verwacht wordt dat we het klooster bij verrassing kunnen innemen.
24 september 1888
De tocht naar onze bestemming is zwaar. Dit afgelegen gebied kent geen fatsoenlijke paden. We hebben in de afgelopen dagen al onze pakpaarden verloren. De arme dieren zijn totaal ongeschikt voor dit terrein en de dieren die niet de diepte in zijn gestort hebben we af moeten maken omdat ze hun benen gebroken hadden. Drie inheemse drijvers zijn omgekomen omdat ze hun dieren vasthielden toen deze misstapten en zijn verdwenen in de diepte.
25 september 1888
Twee soldaten zijn bedolven geraakt onder een lawine. Het zijn Daniels en Thomas O’Shea. Een aantal van mijn mannen is zeer aangeslagen. Daniels was hun held. Hij was op 20 maart de eerste die de vijandelijke stellingen bereikte en het overleefde. Er is geen hoop om ze nog levend onder de steenmassa vandaan te krijgen. Kapitein sir John Ramsden heeft bevel gegeven om twee kruisen met hun namen te plaatsen tussen de stenen. We hielden een korte plechtigheid. We trekken snel door, misschien dat we morgen tegen het einde van de dag het kloostercomplex in zicht krijgen.
26 september 1888
Tweede luitenant Cooper merkte vandaag op de mannen ongeduldig worden. Ik heb hetzelfde gezien. Het is bitter koud ‘s nachts en het wordt tijd dat we warm en droog in dat klooster komen te zitten. De jonge Cooper wordt een prima officier, hij voelt de manschappen goed aan en weet ze te inspireren. Het is een aardige vent, en hoewel hij pas bij ons is, kan ik goed met hem opschieten.
We hebben een eerste glimp van het klooster opgevangen. Het zijn een aantal grote gebouwen. We zullen morgenochtend nog een stuk moeten reizen, maar als alles goed gaat kunnen we het tegen de middag innemen.
27 september 1888, ochtend
We hebben net het definitieve aanvalsplan opgesteld. De kapitein, luitenant Bradford en tweede luitenant Clarke zullen met het grootste deel van de manschappen een frontale aanval uitvoeren, terwijl Cooper en ik een omtrekkende beweging zullen maken met een aantal manschappen om de eventuele verdedigers in de rug aan te vallen. Het strategische belang ontgaat me echter. Dit klooster is écht afgelegen.
27 september 1888, namiddag
We hebben het klooster in handen, maar wat een prijs hebben we moeten betalen. Het is duidelijk dat ze ons verwachtten. De tegenstand was furieus. Er zat slechts een handjevol monniken in het klooster, maar ze werden vergezeld door zeker tweehonderd fanatieke soldaten die zich doodgevochten hebben en stand hielden tot de laatste meter. Dapper waren ze zeker. Ze hebben onze eenheid zware verliezen toegebracht. Hoe ze het voor elkaar gekregen hebben weet ik niet, maar blijkbaar hebben die Tibetanen een kanon naar hier weten te krijgen en geladen met schroot. Sir John, die de frontale aanval leidde, Clarke, en zeker tien anderen werden volledig door het schot verrast toen ze door de eerste linie verdedigers heen een binnenplein op stormden, waar zich een tweede linie verdedigers bevond. Hun lichamen zijn gruwelijk verminkt. Bradford vertelde me dat hierdoor de aanval bijna werd gestuit. Gelukkig waren de verdedigers te druk bezig om de frontale aanval te stuiten en konden Cooper en ik met onze mannen redelijk eenvoudig het werkelijk enorme complex van achter binnendringen en de verdedigers in de rug aanvallen. Dit keerde het tij en we konden de verdedigers in het nauw drijven, tot zich ze uiteindelijk allemaal hadden doodgevochten. In het heiligdom vond een aantal soldaten een tiental monniken, die zichzelf hadden ingesloten. Voor er een officier ter plaatste was hebben ze ze allemaal gedood, uit wraak voor de dood van hun kameraden. De soldaten zullen worden berispt, maar omdat we ernstige verliezen hebben geleden, en we alle manschappen nodig hebben, zal dat pas na terugkomst bij het bataljonshoofdkwartier gebeuren.
Luitenant Bradford, die veel meer ervaring heeft dan ik, heeft logischerwijs het bevel op zich genomen. Ik heb inmiddels onze verliezen geteld. Van de hondervier manschappen waarmee we vertrokken, zijn er nog vijfenvijftig in leven, waarvan er twaalf ernstig gewond zijn. Twee officieren, vier onderofficieren en eenenveertig soldaten zijn omgekomen in de strijd, twee soldaten zijn bedolven onder een lawine. Verder hebben we nog twee paardendrijvers over. Ondanks de zware verliezen begrijp ik nu de waarde van dit klooster. We hebben het complex uitgekamd en een enorme hoeveelheid gouden beeldjes gevonden. In het heiligdom staat een enorm gouden beeld. Allemaal afbeeldingen van dezelfde glimlachende, naakte man in kleermakerszit.
Cooper kwam me net vertellen dat overal door het complex heen vreemde tekens en symbolen op de tegels geschilderd staan, waarvan de verf nog vochtig is. De wegen van de mensen zijn waarlijk anders dan de onze. Verder vertelde hij dat volgens de soldaten de monniken die in het heiligdom vermoord zijn bezig leken te zijn met een ritueel. Waarschijnlijk smeekten ze de genade van hun god af over hun verdedigers. Het heeft hen weinig geholpen.
Ik stop nu. Voor het echt donker wordt wil de wachten ingedeeld hebben en de manschappen zoveel mogelijk hun rust gunnen na deze vermoeiende dag. De gewonden zullen worden ondergebracht in een slaapzaal die we hebben gevonden. Morgen zullen we de taak hebben om alle arme zielen die vandaag zijn gesneuveld en nu nog overal verspreid door het complex liggen een laatste rustplaats te geven. God hebbe hun ziel.
27 september 1888, middernacht
Mijn wacht zit erop. Mijn dag zit erop. Zouden we allemaal promotie krijgen als we na de slag van vandaag met het bericht van deze goudschat terugkomen bij het hoofdkwartier? Ik heb trouwens overal in het complex de vreemde tekens en symbolen op de vloertegels gezien waar Cooper het over had. De verf was inmiddels overal opgedroogd.
De jonge Cooper rent net langs, roepend dat hij geschreeuw hoort buiten. Zou het een aanval zijn? Of is het een twist over een kaartspel? Ik hoor het nu ook. Ik zal eens gaan kijken.
30 september 1888
Het is verschrikkelijk. Ik kan mijn zintuigen niet geloven. Ik schrijf dit hier neer voor ik waanzinnig word van de beelden die in mijn geest gebrand staan.
Het rumoer dat we hoorden drie nachten geleden leek afkomstig te zijn van twee soldaten die aan het vechten waren. Twee van de wachten trokken de mannen uit elkaar en... welk een gruwel! De ene soldaat wierp de man die hem vasthield van zich af, besprong hem en scheurde met een machtige haal diens keel volledig open! Een aantal aangestormde wachten begon met de kolf van hun geweer op hem in te slaan, wat weinig effect leek te hebben. De arme gewonde stierf in mijn armen. Uiteindelijk doorboorde een soldaat de woesteling met zijn bajonet dwars door diens hart, zonder enig effect! Een van de wachten had een fakkel bij zich en in het licht van de vlam konden we de aanvaller eindelijk goed opnemen. Het beeld dat ik zag zal ik nooit meer kwijtraken. Het was soldaat Roberts, een van Bradford's mannen. Roberts was echter die middag gesneuveld in de strijd... Nog voor we van de schrik bekomen waren zagen we overal om ons heen gesneuvelde mannen, zowel Tibetanen als onze eigen mannen opstaan. En op de grond gloeiden heel zachtjes de geschilderde symbolen...
Paniek. Iedereen was in paniek. Iedereen schreeuwde. Overal om ons heen waren ze. Cooper probeerde heel moedig een lijn te vormen met de wachten, maar werd voor mijn ogen bedolven en uiteengereten. Ik schoot alle kogels in mijn revolver in een van de doden, maar het hield hem niet tegen. Ook mijn sabel had weinig effect. Gegil, overal was gegil van de soldaten. Ik vluchtte weg, oh welke een laffe daad. De angst had mij in zijn ijzige greep. Overal liepen ze, de doden van dit vervloekte klooster. Ik stormde langs ze, met mijn sabel houwend en hakkend, tot ik opeens besefte dat de gewonden zich niet konden verdedigen en de angst mij verliet. Ik stormde naar de slaapzaal waar we ze onder hadden gebracht, onderweg kwam ik een aantal soldaten tegen, die ik het bevel gaf mij te volgen. Een aantal van hen deed dat ook. Maar toen we ons met kogels, bajonetten en sabel een weg hadden gevochten naar de slaapzaal, was ik de meeste soldaten al kwijt en hoorde ik het angstgegil van de gewonden binnen. Ik kon me niet door de massa doden naar binnen vechten, het waren er teveel. Zij, de weerlozen in de slaapzaal, waren ten dode opgeschreven. Samen met de twee soldaten die nog aan mijn zijde vochten, rende ik een gebouw in, van waaruit we het dak op trachten te klimmen. De ene man viel en werd onmiddellijk gedood door de doden. Met de ander kon ik het dak opkomen en samen klommen we naar de nok van het dak, biddend, hopend dat de vervloekten ons niet zouden vinden. Om ons heen klonk het gekrijs van de overgebleven mannen, maar langzaam werd het stiller en stiller. Tot er geen ander geluid was dan de gestage voetstappen van de doden, het scheuren van vlees en het kraken van knoken...
Het leek een eeuwigheid te duren, maar langzaam kwam de dageraad en werd het lichter. De geluiden van beneden verstomden langzaam. Ik laadde mijn pistool met de laatste kogels en ik klom van de nok af om een kijkje te nemen van de rand van het dak. Ze waren verdwenen. Weg. Het enige dat ik zag waren hoopjes kledingstukken en hier en daar botten en lichaamsdelen van de arme manschappen die vermoord waren. De soldaat en ik klommen van het dak af, het gebouw in. Langzaam liepen we naar beneden en naar buiten. De zon scheen nu volop. We zagen kledingstukken, uitrustingstukken en wapens, overal verspreid, en overal botten en ledematen, aangevreten, afgekloven. De doden waren echter verdwenen. Het raadsel waar ze waren werd snel opgelost, toen we in talloze kledingstukken hoopjes as vonden. Alsof de doden waren opgestaan om de verdedigers en monniken van het klooster te wreken, alsof ze uiteindelijk door hun wraak waren verteerd... Opvallend genoeg waren ook alle geschilderde tekens en symbolen van de vloeren verdwenen.
De soldaat, Harris, geloof ik, en ik zochten onmiddellijk een aantal voorraden bij elkaar. De arme man leek volledig de weg kwijt en ik moest hem een aantal keren tot de orde roepen en aanmanen tot haast, omdat hij steeds maar huilend op zijn knieën zonk. Ik was ook geschokt, maar kon maar aan een ding denken: dit vervloekte klooster zo snel mogelijk verlaten.
Voor we vertrokken maakten we nog een snelle ronde door het complex, op zoek naar andere overlevenden en munitie. We waren echter alleen. We vonden nog wel de overblijfselen van Bradford. Ik herkende wat er van hem restte aan zijn uniformjas. Dit was ons geluk. Bradford had een kaart bij zich, die we konden gebruiken om de weg terug te vinden.
We zijn nu drie dagen verder en een flink eind op weg terug naar het hoofdkwartier. De soldaat, ik weet zijn naam nog steeds niet zeker, omdat hij niet meer gesproken heeft sinds we op het dak zaten, heeft een blik in zijn ogen die me niet bevalt. Met onze voorraden zou het ons moeten lukken om de terugtocht te overleven. Tenzij we overvallen worden door lawines, of door meer vloeken. Ik besef net dat we vergeten zijn om een gouden beeld mee te nemen als bewijs. Ik zou het echter niet eens gedurfd hebben na wat er die gruwelijke nacht gebeurd is. Om maar te zwijgen van het feit dat we naar die vervloekte plaats gestuurd zijn voor een ordinaire plundertocht.
Ik zal zo proberen te gaan slapen, want morgen moeten we weer vroeg verder, maar of ik ooit nog van de nachtmerries en de beelden die in mijn geheugen gebrand zijn afkom...
Vijf dagen later bereiken Ethan en de inmiddels waanzinnige soldaat het hoofdkwartier van het tweede bataljon Sherwood Foresters. Zijn rapport van de gebeurtenissen wordt weggehoond en even lijkt hij voor desertie te worden berecht. In plaats daarvan worden hij en de soldaat onmiddellijk van de frontlijn teruggetrokken en in een militair hospitaal geplaatst. Zenuwtoeval en waanzinnige buien is de diagnose. Na een aantal weken wordt hij echter ontslagen uit het hospitaal en krijgt hij eervol ontslag uit het leger. Dat laatste heeft hij waarschijnlijk te danken aan het in de doofpot stoppen van het feit dat de missie niets anders was dan een plundertocht. Via Lucknow reist hij naar Bombay, waar hij een tijdje blijft hangen. Om de angstdromen en herinneringen te ontduiken verliest hij zichzelf in de alcohol en later aan de opium.
In maart 1889 besluit hij terug te reizen naar Londen. Hij trekt een tijdje in bij zijn broer Jonathan, maar merkt dat hij zo veranderd is dat hij liever op zichzelf woont, dus betrekt hij een aantal kamers, die hij betaalt van zijn opgespaarde soldij en de toelage die zijn vader hem maandelijks geeft tot hij weer een baan heeft. Dat laatste schiet echter niet op. De angstbeelden komen plotseling op en vaak zoekt hij dan een vluchtweg in de opium. De opium heeft echter wisselend resultaat. Soms raakt hij in paradijselijke dromen van vergetelheid, soms blijken de droombeelden ware nachtmerries. Hij vindt al snel een opiumtent die hem erg bevalt. Samen met de Chinese eigenaar van de tent experimenteert hij om een goede dosis te vinden die hem een paradijselijk aantal uurtjes vergetelheid kan verschaffen… De angsten zijn zo erg dat hij voortaan zorgt dat hij altijd gewapend is. Tegelijkertijd verdiept hij zich steeds meer in het occulte, om een antwoord, een verklaring voor wat hij gezien heeft te vinden. En zo breekt uiteindelijk het jaar 1891 aan…
Verschijning
Ethan Rayne is nu 27 jaar oud. Hij heeft ravenzwart haar en groene ogen. Verder heeft hij een snor. Hij is ongeveer 1,75 meter lang. Hij heeft geld genoeg om zich goed te kleden en dit doet hij dan ook. Hij is altijd gewapend, uit angst. Hij draagt een revolver (Webley "The British Bulldog," 1878, 5-schots revolver, kaliber .45) en een wandelstok met een zwaardblad erin. Dit zijn wapens die overeenkomen met de revolver en sabel, de wapens van een officier.



