Cleophus Kieferson is de het derde personage dat ik in Call of Cthulhu moet introduceren, na de heldhaftige dood van Justinius Lawford en de eerder knullige dood van Giancarlo Chianciano.
Hij heette eerst 'Warren', maar 'Cleophus' klinkt nog veel cooler, dus heb ik hem van naam veranderd nog voor de eerste spelsessie. De andere spelers waren in elk geval onder de indruk
Dit is opnieuw een poging om ook netjes een online dagboek bij te houden, iets wat ik graag doe maar waarvoor ik eigenlijk niet genoeg discpline heb. Desalnietemin wagen we het er nog eens op, je weet nooit of het lukt
Cleophus Kiefersons korte autobiografie
Mijn naam is Warren Kieferson en ik ben geboren in 1895. Omdat ik op zes juni verjaar, weet u dat ik 25 ben. Dat is jong, maar oud genoeg om al veel te hebben meegemaakt. Mijn persoonlijke appreciatie is dat ik té veel heb meegemaakt, maar blijkbaar was dat nodig. Ik draag de gevolgen daarvan en laat de verantwoordelijken meedragen.
Het had namelijk allemaal niet gemoeten. Toen ik in 1915 naar het front werd gestuurd was ik net twee jaar aan mijn doctoraat bezig, een verhandeling die prehistorische Europese kunst met primitieve kunst uit onze Afrikaanse kolonies vergeleek. Een zeer interessant project was dat, niet in het minst omdat ik ruim van fondsen voorzien werd om de noodzakelijke reizen af te leggen.
De Britse staat was echter de mening toegedaan dat ik beter een reisje naar Frankrijk kon maken. Een enkel reisje naar het front aan de Somme leek hen wel wat, hoewel het mij absoluut niets leek. En ik had pech, want het duurde tot in de zomer van 1916 eer ik ernstig genoeg gewond raakte om in het hospitaal te belanden. Een granaat ontplofte tijdens één of andere aanval en de scherven vlogen langs mijn hoofd. En in mijn hoofd.
Ik hield er uiteindelijk weinig aan over. Een indrukwekkend litteken op mijn linkerslaap, vlak naast mijn oog, tot bijna helemaal achter op mijn hoofd. Ik moet mijn haar er over kammen, want het is dik, lelijk en kaal. Ik kan ook geen kleuren meer zien. En mijn rechterhand trilt altijd licht, al zou dat volgens dr. Lobarth ook aan een gasaanval gelegen kunnen hebben.
Die arts, dr. Lobarth, was mijn redding en niet enkel omdat hij die granaatscherven uit mijn hoofd peuterde. Belangrijker was dat Lobarth homosexueel was. Dat maakte hem uiterst makkelijk te chanteren en dat kwam me wel van pas. Hij kon me niet naar huis omdat ik al mijn ledematen nog had, maar hij wou wel een tijdelijk gebrek aan dieptezicht bij me constateren. Dat maakte me voorlopig zo goed als ongeschikt voor elke taak, tenzij eentje aan een bureau.
Die kreeg ik dan ook en in ruil verklikte ik Lobarth niet. Ik werd enkele kilometers dieper in Frankrijk gepositioneerd, weg van de frontlinie, waar ik ene Phil Jenkins zou assisteren met het voorraadbeheer. Phil Jenkins was een gewetenloos zwijn: hij stal voedselvoorraden die hij voor eigen rekening door verkocht. Er waren verdenkingen tegen hem en daarom moest ik hem assisteren, versta controleren.
Jenkins kon kiezen: gearresteerd worden of mij laten delen in de winst. Dat was snel beslist. Om de persoonlijke winsten niet te laten verkleinen, stelde hij voor ook het munitiedepot aan te spreken. Dus dat deden we. Wapens, leerde ik toen, geraak je nog makkelijk dan voedsel kwijt. Iedereen denkt altijd en overal wapens nodig te hebben. Dat kwam ons goed uit, we verdienden er flink aan. Het was allemaal niet netjes maar dat kon me eerlijk gezegd geen moer schelen. Het front was nog veel minder netjes.
Onze grootschalige diefstal ging niet ongemerkt voorbij en dus kwam kapitein Dillinger op controle. Ik wou deserteren, maar Jenkins had een beter plan: Dillinger vermoorden. Het goeie van dat plan was vooral dat hij daarmee voor de krijgsraad kwam en werd geëxecuteerd en ik zo voor alle beschuldigingen, zowel van diefstal, heling als moord, buiten schot bleef.
Het was eenvoudig om het verduisteren nadien te minderen, zodat werkelijk aangetoond leek dat Jenkins de schuldige was. Ik was al lang blij dat ik zelf geen kogels moest incasseren, niet in de loopgraven en niet voor het vuurpeleton. Ik bleef zelf wel kogels verkopen: aan soldaten, aan boeren en aan misdadigers. Zo kwam ik de oorlog door. Af en toe moest Lobart mijn ogen opnieuw controleren, maar reken maar dat hij niet durfde melden dat mijn dieptezicht perfect was. De jongens zouden hem gemolesteerd hebben in dat veldhospitaal, als ze wisten dat hij homosexueel was.
Het was al februari 1919 toen ik weer thuis geraakte. Ik wou er mijn doctoraat weer oppikken, maar volgens de professoren kunstgeschiedenis kon een kleurenblinde onmogelijk verder werken. Ik kon daar weinig tegenin brengen en stond op straat. Ik had geen zin ander werk, ik kon ook geen ander werk. Eigenlijk kon ik maar drie dingen, want ik had maar drie dingen geleerd. Kunst beschrijven, maar dat mocht ik niet meer omdat mijn hersenen weigerden kleuren te registreren. Op mensen schieten, maar dat wou ik niet omdat je altijd het risico loopt dat er terug geschoten wordt. En wapens illegaal verpatsen aan belligerente heethoofden.
Het is opmerkelijk hoe eenvoudig je oude gewoontes weer oppikt als het even moeilijk gaat. Ik werd benaderd door een oud contact: of ik kon onderhandelen over de illegale verkoop van een partij geweren aan de Ieren. Dat kon ik, natuurlijk. Ik had de kennis, ik was een neutrale tussenpartij, ik had geld nodig. De gangster weigerden rechtstreeks zaken met de Ieren te doen. Dus kocht ik de kisten over van de gangsters en daarna verkocht ik ze aan de Ieren, met een aardige winstmarge.
Iedereen wil wapens en ik wil geld. De oplossing ligt voor de hand. Ik pleeg zelf geen overvallen, maar ben een tussenpersoon en koopman. Ik kan daar zeer goed van leven. Ik krijg maar een schijntje van vergoeding als oorlogsinvalide. Dan moet niemand zeuren dat ik voor mezelf wat bijklus.
Ik lever een beetje in het crimineel circuit, maar tegenwoordig vooral aan de Ieren. Als het Koninkrijk zo dol is op oorlogen, kunnen ze er van mij nog eentje krijgen. De staat heeft mij flink gemolesteerd, dus ik zie er geen graten om precies hetzelfde te doen. Als ze mij niet naar de oorlog hadden gestuurd, had ik niet in wapens leren marchanderen. En ik had het ook niet gemoeten, want mijn ogen zouden nog perfect werken (mijn ogen werken nog perfect, zei Lobarth, maar mijn hersenen niet).
De politie weet dat ik in het crimineel milieu rondhang, ik veronderstel dat ik ook wel in de gaten wordt gehouden, maar als je een beetje op je tellen let is er niets aan de hand. Van de flikken moet ik niets hebben, die werken voor het Koninkrijk, maar met de privéjongens is er niets mis. Ik help hen wel eens een handje, met informatie over wapens of gangsters, en zij schermen me wat af voor de politie. Dat werkt prima zo.
Ik zit nu in Belgrado, waar Kelly me heeft voorgesteld aan ene Yaruslav, een revolutionair contact van hem. Het is niet dat ik te beroerd ben om die Slaven wapens te geven, maar ik vertrouw hen voor geen haar. Ze schaduwen me al de halve week. Ze zijn met te veel op elke afspraak. Ze spreken amper Engels, kunnen niet betalen in pond sterling en ik heb hier niemand op wie ik kan terug gevallen, want Kelly is alweer vertrokken naar Zwitserland waar hij zal onderduiken. Dit is een achterlijk land en er zijn genoeg zaken te doen in de beschaafde wereld.
Ik moet dus veilig proberen weg te geraken. Die Slaven zijn gelukkig precies zo achterlijk als ze eruit zien. Ik vroeg hen ponden of zwitserse francs. Die konden ze natuurlijk niet meteen leveren, maar ze begrepen de vraag en vroegen drie extra dagen. Ik deed alsof dat een probleem was en gaf uiteindelijk toe op het compromis twee dagen. Ik ben uitgebreid uitgeweest gisterenavond. Niet dat hier wat te beleven valt, maar die idioten hier mogen vooral niet denken dat ik ga vertrekken.
Dat ga ik natuurlijk wel. Een bediende van het hotel heeft mijn bagage al naar het station gebracht, zodat ik deze ochtend zonder bagage in een taxi kon stappen. Ik zag Yaruslav's mannetje heus wel staan, maar het deed me niets. Hij deed ook geen moeite me te achtervolgen, maar ik liet de taxi toch maar even omrijden.
Ik zit nu in het station met één tas handbage en twee tickets in mijn hand: één naar Parijs en één naar Pancevo. In mijn binnenzak zit mijn pistool. Ik neem geen enkel risico tot ik op die trein zit en dit belachelijke land uit ben.