January 7, 1923
1. Mister Mephisto
Vandaag hebben we twéé klanten tegelijk op ons kantoor gehad. Dat is bijna een evenaring van ons record vijf maanden geleden, toen we er drie hadden. Eerlijkheidshalve moet ik daaraan toevoegen dat de eerste het wel zo probeerde te draaien alsof wíj klanten bij hém zouden worden. Dat ging ongeveer als volgt.
Het was al een flink stuk in de namiddag toen een grote man in een donker pak binnenkwam. Hij stelde zich voor door zijn kaartje te tonen. Daarom stond
Mister Mephisto - Mentalist and Clearvoyant. Het was me niet duidelijk waarom een helderziende ooit privé-detectives zouden nodig hebben, maar we verveelden ons stierlijk dus ik vroeg toch maar wat we voor hem konden betekenen. Hij antwoordde dat hij iets voor óns kon betekenen. Hij werkte in het Blue Mask Theatre op Picadillly Square als illusionist en had een visioen gehad dat volgens hem over ons ging.
In dat visioen was de stad helemaal in duisternis gehuld, op een klein lichtpuntje hier en daar na. Over het gebouw waar ons kantoor in gevestigd is, zweefde een dreigdende gedaante: een oudere, gezette man met een Arabisch uiterlijk. Toen de man begon te lachen, ging de hele stad in vlammen op.
Dat was het hele 'visioen' en Mister Mephistoles beweerde dat iemand ons kwaad berokkende. Hij nodigde ons uit om eens langs te komen bij hem in het theater en vertrok weer. Lenny keek het na in
The Times en het
Blue Mask Theatre gaf inderdaad elke avond spetterende voorstellingen met de ongelooflijke Mister Mephistoles, meer bepaald om 08.00 pm.
Het was duidelijk een charlatan die op geld uit was of op een originele manier publiek lokte, maar zoals ik zei verveelden we ons stierlijk, dus misschien waren we er wel heen gegaan.
2. Wilford Hobsen
Voorwaardelijke wijs, want vlak voor sluitingstijd viel er nog net een andere klant binnen. Een echte, deze keer. Hij kwam nogal zenuwachtig over en excuseerde zich voor het late uur. We stelden hem gerust, want hij was een klant. Toen stelde hij zich voor als Wilford Hobsen. Hij beweerde gestuurd te zijn door de
Challenger Trust, een soort intellectuele maar vooral dure club voor iedereen die duur kan betalen en daarmee een intellectueel cachet wil kopen. De
Challenger Trust organiseerde regelmatig grote banketten waarop dan lezingen werden gegeven. Op hun laatste banket (d.d. 5 januari) was professor Julius Smith de spreker geweest. Smith was een bekend taalkundige en scepticus die, volgens Hobsen, al veel bedriegers had ontmaskerd. Maar gisterenavond was professor Smith verdwenen. Hij was verbonden aan het
Instituur voor Parapsychologisch Onderzoek en daar waren ze ongerust geworden over zijn verdwijning, vooral omdat zijn heus de vorige nacht in vlammen was opgegaan. Het IPO had aan de
Trust gevraagd om fondsen om een privé-onderzoek te financieren en daarom stond Hobsen dus in ons kantoor.
Verder kon de arme man ons niet zo gek veel vertellen. We besloten ons licht eens op te steken bij het IPO, waar ze hopelijk meer konden vertellen.
Toen Hobsen - na het overeenkomen van het tarief - weer vertrokken was, sloegen we
The Times er opnieuw op na. Julius Smith zijn huis was inderdaad in vlammen opgegaan en daarna was hij verdwenen. Volgens de politie was de brand aangestoken. Sommige getuigen beweerde dat ze een man, de butler Beddows, had zien weglopen.
Er stond nog een ander leuk artikeltje in ook, dat kopte dat één man drie keer stierf. In een kamer van het
Chelsea Hotel waren drie lijken gevonden, alledrie door het hart gestoken. Het grappige was dat ze alledrie Mehemd Makriath heetten, althans volgens de papieren die op hun lichaam werden gevonden. En om het helemaal mooi te maken: ze lagen op een kamer die geboekt was op naam van de antiquair Mehmed Makriath, maar volgens getuigen was de échte Mehmed Makriath er niet bij. Het leek me een zaak voor een detectiveroman, maar het was een zaak voor Scotland Yard. Ik ben benieuwd hoe dat opgelost zal worden.
3. Het Instituut voor Parapsychologisch Onderzoek
De
Trust betaalde onkosten bovenop ons loon, dus we namen de taxi naar het IPO. dat was nog nét open. We vroegen naar de directeur. De receptioniste was nog onwillig, maar toen ze belde en onze namen liet vallen, mochten we meteen door naar directeur Edward Gibbon.
Gibbon was een al wat oudere man, kalend en grijzend. Hij zag er nogal streng en stijf uit. Zijn kantoor was klassiek ingericht, met uizonderingen van een paar vreemde bokalen waarin ietsen om formol stonden een wolf als jachttroffee aan de muur.
Gibbon vertelde dat Smith net terug was van een reis naar Walachije. Daar zou hij vijanden gemaakt hebben, omdat het nationalisme er nogal opspeelt. Smith erkende blijkbaar niet elk nationalistisch dialectje daar als een aparte taal en dat had hem nogal wat problemen opgeleverd. Hij zou het gehad hebben over "polemieken" en een "haatcampagne". Toch bereidde hij een nieuwe reis voor waarop ook Gibbon zou meegaan. Gibbon vermoedde dat Smith in Londen problemen had gekregen en daarom was ondergedoken. Ik vermoedde dat als iemand onderdook hij daar goede redenen voor had en als je met hem inzat, je hem dan ook ondergedoken liet. Maar ik kon mijn rekeningen alleen maar betalen als hij de zijne betaalde dus ik zweeg.
Smith werd of wordt - laat ons er van uitgaan dat hij nog leeft - wel eens 'de walrus' genoemd, vertelde Gibbon. Hij is nogal corpulent en heeft enorme bakkebaarden en een dite krulsnor. Hij zou een vriendelijk en fijnbesnaard mens zijn, met een opmerkelijke bulderlach. Altijd piekfijn in het pak, en geurend naar Machorka, een soort slavisch tabak. Familie of vrienden in Londen: nihil. Collega's: het IPO en de universiteit. Maar die waren dus op zoek naar hem. En wij vanaf nu ook.
We bedankten Gibbon en vertrokken. Een poging tot stratgisch verdwalen mislukte helaas.
4. Greenwich Lane, Picadilly Square en The Horse's Head
We namen een kijkje aan het afgebrand huis van Smith op Greenwich Lane. Het was inderdaad volledig afgefikt. Veel meer dan zwartgeblakerde buitenmuren stond er niet meer overeind. Er liepen nog wat agenten rond en de brandweer bluste nog wat na. Eén van de brandweerlui bevestigde dat de brand wellicht aangestoken was. Veel meer had hij niet te vertellen en maar goed ook, want een agent stuurde ons wandelen.
We stapten opnieuw in een taxi maar we waren nog geen 2 minuten onderweg, of een brandweerwagen raasde ons voorbij. Een detective moet het hebben van zijn instinct, dus we volgden de brandweer. Die reed naar Picadilly Square waar, je raadt het nooit,
Blue Mask Theatre als een fakkel stond te branden. We mochten natuurlijk niet door, maar het was van ver wel duidelijk dat het financieel verstandig geweest was nog geen kaartjes te kopen voor Mister Mephistoles.
Lenny besloot dat het tijd was om Peter Little lastig te vallen. Pete was een ex-collega van hem die niet zover uit de buurt zijn stamcafé had,
The Horse's Head. Pete zat er inderdaad en wou best een babbeltje slaan. We dachten geluk te hebben, want hij zat zelf op de zaak Smith, maar blijkbaar maakte de politie er geen prioriteit van en bovendien ontaardde het gesprek nogal snel in dronkenmansgebral. Lenny en Pete haalden herinneringen op en tussendoor visten we wat achter de zaak. Ik som Pete's belangrijkste ideeën even op en laat de kostelijke anekdotes achterwege.
- Smith zat vaak in het buitenland en dan haal je je nu eenmaal problemen met buitenlanders op de hals.
- In Londen wonen alleen Londenaars en daar heb je dus geen last meer van die buitenlanders
- Bij dit soort zaken gaat het altijd om geld of vrouwen, en vaak om allebei. Maar gezien Smith zijn reputatie gokte Pete op antipathieke schuldeisers. Uiteindelijk zei hij toch één zinnig ding, namelijk
- De getuigen waren weinig betrouwbaar, maar het was toch redelijk zeker dat het niet Smith zelf was die ze hadden zien weglopen.
Alcohol laat menselijk makkelijker spreken, maar agenten moeilijker denken. Misschien hadden we hem niet zo voortdurend moeten trakteren. Ik was zelf ook niet meer honderd procent helder en kroop maar onder wol. Het was genoeg geweest voor één dag. Hoe langer een zaak liep, hoe meer je er aan verdiende, uiteindelijk.
January 8, 1923
1. Kantoorwerk
Het is bepaald een vruchtbare dag geweest! Het was ook bijzonder druk. Ik had gedacht er een rustig dagje kantoorstudie van te maken, met wat opzoekingswerk rond Walachije en het doornemen van de kranten. Lenny had
The Times en
The Sun gekocht.
The Sun bewaarde ik voor als ik toe was aan wat ontspanning.
The Times deed verslag over de brand in het
Blue Mask Theatre. Er zouden minstens twintig doden gevallen zijn. Er was een lijst met een tiental geïdentificeerde slachtoffers, maar Mephisto was er niet bij. Die was spoorloos. Hij was niet komen opdagen voor zijn eigen voorstelling. Vlak voor de voorstelling had moeten beginnen was er probleem met de gasverlichting geweest en zo was de brand ontstaan.
Het wás natuurlijk toeval, maar niemand kan het me kwalijk nemen dat ik toch een wenkbrauw optrek als er op drie dagen twee huizen afbranden, waarna er telkens een personen ‘verdwenen’ lijkt te zijn.
Ik nam de de encyclopedie erbij. Walachije ligt in het zuiden van Roemenië. Voor de Grote Oorlog was het al een deel van Roemenië geweest. Voor zover ik wist was heel dat stuk Europa inderdaad nog steeds één grote verhit gebied vol nationalistische heethoofden, maar Walachije zelf heeft de hoofdstad Boekarest, dus zoveel reden tot klagen zullen ze wel niet hebben. Ik ben er al een tijdje uit natuurlijk en die dingen ontwikkelen zich daar altijd snel en vreemd. Ik was ijverig aan het lezen toen de telefoon ging.
2. Het bureau van Smith
Het was Gibbon. Hij dacht iets belangrijk te hebben gevonden in het bureau van Smith. Het spreekt voor zich dat we er meteen heen gingen. Zó interessant is de Britannica nu ook weer niet.
Gibson had zitten rondsnuffelen en in een doos waar Smith blijkbaar zijn belangrijkste zaken bewaarde, zoals sleutels en geld, had hij een ticketje gevonden. “Saint Pancras 382” stond er op. Volgens Lenny was het het bonnetje voor een bagagekluis. We besloten eerst het kantoor verder te doorzoeken. Het stond er tjokvol vol dikke naslagwerken, hoofdzakelijk over taalkunde en occulte onderwerpen. Er stond niets over Walachije. Die boeken en notities lagen waarschijnlijk in zijn huis en waren dus tot as herleid. Veel interessants was er eigenlijk niet, maar wel zijn speech die hij voor de
Trust had gegeven.
De speech was opgedeeld in drie delen: eerste schepte hij op over de bedriegers die hij ontmaskerd had en vervolgens ging hij in op de zaken die hij niet had kunnen ontmaskeren. Het ging over een Bretoens sppokship, een vrouwelijk spook in Noorwegen een een taxi in Londen zelf. In het derde deel ging hij in op de gemeenschappelijke aard van die zaken. Ze waren allemaal etherisch en leken allemaal in een andere tijd te bewegen. Ze waren ook allemaal plots verdwenen: nooit gestorven of vernietigd maar altijd verdwenen. Het was dus wel toepasselijk dat ook Smith nu verdwenen was.
Ook over Mister Mephisto vonden we enkele notities. Blijkbaar had Mephisto in het verleden een aantal keer de sterfdatum van beroemdheden voorspeld. Hij zat er af en toe pal op, net iets te vaak om nog toeval te zijn. Maar er waren ook genoeg missers om hem door sceptici te laten afdoen als een oplichter. Smith had hem in elk geval zelf nog niet ontmaskerd.
3. De koffer bemachtigen
Toen we uitgezocht waren, reden we naar Saint Pancras. Het was belachelijk eenvoudig: ik gaf het ticketje af bij het bagagedepot, betaalde 5,00 £ en kreeg een stevige, leren koffer mee. Hij was op slot, maar in het doosje op Smith’s kantoor hadden veel sleuteltjes gezeten. Wellicht konden we daarmee de koffer openen. We stapten weer in de taxi, maar toen realiseerden we ons plots dat áls Smith ontvoerd was en áls zijn ontvoerders de koffer wilden bemachtigen, ze ons wellicht schaduwden nu. Een blauwe wagen leek ons inderdaad heel de tijd te volgen. We lieten onze chauffeur een blokje rond rijden en speelden hem zo kwijt. Maar toen we voor het IPO parkeerden, kwam er vlak achter ons een zwarte wagen staan.
We konden geen risico’s nemen. Lenny probeerde het slot te forceren, maar hij was te zenuwachtig. Ik ook trouwens. We reden nog maar eens een blokje rond en de zwarte wagen was weg. De taxichauffeur dacht waarschijnlijk dat we paranoide waren en dat was ook zo. We betaalden en stapten haastig naar het IPO, maar een man klampte ons aan. Lenny liep snel door met de koffer terwijl ik de man de weg wees – want dat was wat hij vroeg. Achteraf bekeken had het allemaal niets te betekenen natuurlijk, maar op dat moment was de koffer ons belangrijkste aanknopingspunt. Die wilden we niet kwijt.
In de koffer zaten reisbenodigdheden – schone kleren, toiletgerief – en een toegebonden enveloppe van
Simplon Orient Express. We maakten hem open en er zaten twee tickets voor Constantinopel in op naam van Smith en Beddows. De tickets waren bedoeld voor 9 januari. In ons hoofd rijpte een prachtig plan.
Als Smith en Beddows waren ondergedoken en naar Constantinopel wilden, moesten ze die tickets natuurlijk hebben. Daarvoor zouden de koffer moeten ophalen en dus eerst het ticketje. Als ze zouden merken dat het ticketje er niet was, zouden ze onraad ruiken.
4. De koffer als lokaas
We besloten de koffer opnieuw in te pakken, zonder de tickets evenwel. We reden weer naar Saint Pancras en gaven hem opnieuw aan het bagagedepot af. We kregen een nieuw ticketje, “107”. De bagagekluizen waren van 05.30 am tot 00.00 a.m., het IPO bleef open tot 08.00 pm, maar Smith had daarvan een eigen sleutel.
Volgens mij zou het als volgt gaan: na 08.00 pm zou Beddows naar het IPO gaan en het bonnetje ophalen. Dan zou hij naar het Saint Pancras moeten om de koffer op te halen en dan ging hij weer naar Smith, die ergens veilig zat te wachten. Als we Beddows konden schaduwen vanaf het Saint Pancras, vonden we Smith dus. Als Smith ontvoerd was, stonden we nog nergens, maar voorlopig klonk het als een goed plan.
We legden het nieuwe bonnetje 107 dus weer op het kantoor van Smith en gingen in het station op Beddows zitten wachten. Gibbon beschreef voor ons de butler: een lang, mager en nogal nerveus type, met achterovergekamd grijs haar en een druipsnor. Die konden we niet missen.
Rond 10.00 pm verscheen er een zwaar type aan de bagagekluizen en een Beddows-type liep het stationsbuffet binnen. Ik hield de zware kerel in de gate, Lenny hield een oogje op Beddows. Maar de man aan de bagage liet zijn ticketje vallen. De bediende wou hem helpen en toen gebeurde er iets dat ik niet goed zag. Achteraf bekeken moet de man de bediende hebben neergeslagen. Net op dat moment liep Beddows het buffet weer uit en glipte langs de balie om zijn koffertje te halen. Lenny volgde hem, maar werd subtiel tegengehouden door de stoere jongen. Toen Beddows mét koffer weer buitenkwam, volgde ik hem. Maar de man kwam achter me aan en gaf me een rake klap op mijn kaak. Ik ging tegen de grond als een zak bloem. Lenny was er intussen wel weer bij, maar Beddows stapte in een taxi. Geen kans om hem achterna te gaan, want de stoere kerel zwaaide met een pistool in zijn zak en raadde ons aan hem niet te volgen. Mijn kaak deed nog teveel pijn om iets fijnzinnig te kunnen zeggen.
Maar toen hij weer wegwandelde, waren de lichten van de taxi nog zichtbaar in de verte. Lenny sleurde me een taxi binnen en zo zetten we alsnog de achtervolging in. Die eindigde in een nogal groezelige buurt. Beddows en koffer stapten uit en liepen een grauw pension binnen. En dus wij ook. Dat wil zeggen, ik stond te twijfelen, Lenny greep mijn arm en trok me naar binnen.
5. Op visite
Buiten zagen we in een kamer op de eerste verdieping het licht aangaan. Het was niet zo moeilijk te raden welke kamer dat was, want er waren maar vier kamers in het hele gebouw. De voordeur was open, dus we liepen gewoon naar binnen en dan naar de deur van de kamer. Daarachter klonk een stem, nogal geaggiteerd.
Lenny klopte aan. Het werd stil in de kamer. Toen klonken er voetstappen en de deur werd op een kier geopend. Lenny wou haar helemaal open gooien maar Beddows bood weerstand, dus gooide ik mijn gewicht er ook tegenaan. De deur vloog open en we vielen de kamer binnen. Lenny sloot de deur meteen en blokkeerde haar door ervoor te gaan staan. Beddows liep naar een tafeltje waar hij een wapen of zo dacht uit te halen. Maar ik had die avond al klappen ontvangen en nog geen uitgedeeld. Ik dook hem achterna verkocht hem een stevige tik op zijn kaak - net zo één als ik even tevoren gekregen. Dat kalmeerde hem.
Casper & Lawford, Private Investigators was de situatie volkomen meester.
In het smoezelig kamertje lag een enorm dikke man in bed. Zijn gezicht was akelig verbrand, maar hij was beslist de walrus. Smith en Beddows waren nogal opgelucht toen we geen Turken bleken te zijn. Beddows verklaarde dat ze waren aangevallen door Turken thuis. Maar ze hadden de deur gebarricadeerd waardoor hun belagers niet binnenraakten. Daarop hadden die het huis in brand gestoken. Alle documenten en notities van de professor waren verloren gegaan en hijzelf ook bijna.
Smith legde zelf uit waarom die Turken hem moesten hebben: Smith was een bepaald artefact op het spoor gekomen, het zogenaamde
Symulacrum van Sedaphkar. Dat was een soort afgodsbeeld waarop een vloek rustte. Eind achttiende eeuw was het kapot gemaakt en de stukken waren verspreid geraakt over Europa. Smith wou ze allemaal weer opsporen en dan het beeld vernietigen. Daarvoor was hij samen het het IPO een expeditie aan het voorbereiden. Hij vroeg ons zijn taak over te nemen. Hij had er 2000,00 £ veil voor, dus we zeiden niet nee.
Ik probeer hier kort samen te vatten wat Smith zei over dat Symulacrum, maar zijn relaas was niet altijd duidelijk en zijn uitspraak nog minder.
De laatste bezitter van het volledige Symulacrum was graaf Fédalique, die het verloor tijdens de Franse Revolutie van 1789. Wellicht werd het toen ook vernietigd. Er zijn vijf stukken, die over heel Europa verspreid zijn geraakt.
- Eén stuk zou in Venetië zijn in het bezit van ene Alvize Necremancia
- Eén stuk zou in Triëste zijn. Aanknooppunt daar is Johan Winckelmann van het museum.
- Eén stuk is ergens in Servië. Contactpersoon: Doctor Todorovic, de curator van het museum van Belgrado.
- Eén stuk is tijdens de Bulgaarse oorlog in 1875 in Sophia verzeild geraakt.
- Het laatste stuk was in Parijs tot 1914 en zou zich nu in Milaan bevinden.
Als alle stukken zijn samengebracht, brengen we ze naar de
Ontweken Moskeer in Constantinopel. Daar plaatsen we ze in een zekere nis en vernietigen het beeld volgens het ritueel dat beschreven staat in de
Rol van Sedaphkar, die we daartegen ook bij voorkeur hebben gevonden.
Zoals ik al zei: 2000,00 £ weiger je niet. Beddows schreef een brief voor het IPO en gaf een ring van Smith mee, zodat we daar ons honorarium konden opstrijden. Voor hun veiligheid vertelden ze niet waar ze verder zouden onderduiken. Indien nodig zouden we wel via het IPO van hen horen.
Ik persoonlijk hou niet zo aan dat soort prullerige verhaaltje van vloeken maar twee dingen overtuigden me, naast de ponden, om toch met de opdracht in te stemmen.
Ten eerste was Smith zelf een scepticus. Als hij er geloof aan hechtte, moest er wel ergens iets van aan zijn. En ten tweede klonk de opdracht als een reeks buitenlands reisjes op kosten van een ander. Dat is altijd beter dan werkloosheid.
January 9, 1923
1. Verslag uitbrengen bij Gibbon
Lenny en ik waren het er nogal snel over eens dat we de opdracht aannemen. Met 2000 £ door Europa reizen vond hij ook een aantrekkelijk alternatief voor je onbetaald zitten vervelen op een duf kantoor. We vertrokken dus meteen naar het IPO, waar we na eventjes wachten in de lobby Gibbon te spreken kregen.
Gibbon was nogal sceptisch over onze uitleg dat we Smith gevonden hadden maar niet konden zeggen waar hij zat. De brief en de ring overtuigden hem tenslotte. We boden onszelf aan om de expeditie voor Smith verder te zetten, omdat hij het ons had gevraagd. Gibbon nam ons aan en toen vertelden we hem zelfs eerlijk over de 2000 £. Hij keek een beetje verbaasd. Nadat we hem de hele situatie met het Symulacrum van Sedaphkar hadden uitgelegd, liet hij een bediende meteen opzoeken of daar iets over te vinden was in de bibliotheek. Dat bleek niet meteen het geval. Van Gibbon mocht de jongen ook “boeken terugzetten in het kantoor van Smith.” Ik vraag me af wat hij daar mee bedoelde, maar ik durfde het niet vragen, omdat de zaak Smith op dat moment afgehandeld leek.
2. Op reis naar Parijs
Parijs is een prima vertrekpunt voor onze expeditie. Vandaaruit kunnen we de Oriënt Express nemen en al wat opzoekingswerk verrichten. Ik ben er toen ik terugkwam uit Wenen maar heel even geweest en het zal fijn de lichtstad wat langer te kunnen bezoeken. Ik verheug me erg op deze reis. Het is goedbetaald, heeft alles van een stevig avontuur en zal zeker erg opwindend worden. Wie weet kom ik in Oost-Europa nog oude bekenden tegen, dat zou helemaal spannend worden! Ik vraag me af of ik mijn oude papieren van die goeie ouwe Anton nog op de kop zou kunnen tikken. Allicht niet, maar ik mag niet vergeten er toch eens navraag naar te doen.
Ik ben mijn paspoort gaan aanvragen. Dat zou binnen twee dagen geregeld kunnen zijn, volgens de beambte. Ik heb met ook een boekje “Frans voor beginners” gekocht. Het schijnen heel handige en goede gidsjes te zijn. Lenny noch ik spreken een woord Frans en hiermee zullen we op restaurant toch tenminste
coq au vin kunnen bestellen! Je leert wellicht nergens sneller Frans dan in Parijs. Ik hoop op de week of zo dat we er zullen verblijven, toch een beetje van de taal op te pikken.
January 10, 1923
1. Persoverzicht
Catherine Mansfield is aan tuberculose gestorven, las ik. Haar laatste woorden waren naar het schijnt “Ik hou van de regen. Ik wil het gevoel ervan op mijn gezicht.” Dan was ze beter in Engeland komen sterven dan in Frankrijk natuurlijk.
Er was ook een leuk artikeltje over de zoveelste mysterieuze dood. Ze zullen hun werk wel hebben bij Scotland Yard deze dagen. Er is “een man verdwenen in een rookwolk”. Hij heette Henry Stanley. Mevrouw Atkins (zijn hospita, vermoed ik) hoorde schreeuwen op zijn kamer, ging kijken en alles wat ze zag was een enorme rookwolk en geen meneer Stanley. De eerste theorieën gaan over spontane zelfontbranding natuurlijk, over wat anders? Het laatste bekende geval daarvan, meldt
The Times zou ene J. Temple Thurston overkomen zijn in 1919. Ssoms vraag je je toch wat het verschil is tussen zo’n kwaliteitskrant en
The Sun. Markant detail: Stanley was lid van de Londense treinspottersclub. In zijn kamer werden minitatuurtreintjes gevonden afkomstig uit de winkel van Mehmed Makriath. Toeval, wellicht, maar wel aardig toeval.
Nieuws ook over de brand in het
Blue Mask Theatre. Alle lichamen zijn geïdentificeerd, behalve één. Mister Mephisto is nog steeds spoorloos verdwenen. De conclusie licht natuurlijk voor de hand. Ware er niet die getuigen die Mephisto het theater hadden zien verlaten natuurlijk.
2. Meer informatie over Sedaphkar
Voor informatie over het Symulacrum zullen we naar de
Bibliothèque Nationale moeten, in Parijs. Mijn “Frans voor beginners” zal me er waarschijnlijk niet overdreven vooruit helpen. De Rol zelf kunnen we vinden in het Topkapi-museum in Constantinopel. Het is weinig nieuws, maar het is wel goed nieuws, want het betekent dat we niet in het wilde weg moeten beginnen speuren maar dat we een aantal concrete aanknopingspunten hebben. Als de rol in een museum ligt, zal het voor de Turkse vijand toch net iets moeilijker zijn om hem te stelen dan wanneer een particulier hem ergens zou verborgen hebben – althans, dat hoop ik.
3. Pete weet het niet
Ik heb met Lenny lang gediscussieerd over wat we met de informatie over Smith doen. Voor ons is de zaak opgelost, maar voor de politie natuurlijk niet. Dat zou ons op zich weinig kunnen schelen, maar de politie heeft natuurlijk informatie die wij willen hebben. De vraag was of we ermee naar Pete Little zouden stappen, of naar inspecteur Laxmore. Lenny was eigenlijk van plan om nog wat rond te snuffelen over de zaak Blue Mask. Dan konden we best naar Laxmore gaan, vond ik. Die hield zich bezig met brandstichtingen en het leek me een mooie transactie: informatie over de brand bij Smith in ruil voor informatie over de brand in het
Blue Mask. Maar dat vond Lenny dan weer te riskant. Hij wou niet het gevaar lopen dat de politie zich echt met ons begon te bemoeien en ons misschien zou vasthouden zodat we niet naar Parijs konden. Dan zouden we dus naar
The Horse’s Head gaan. Ik waarschuwde hem dat we wellicht niets meer zouden te weten komen daar en dat we dan in feite de zaak Blue Mask lieten vallen (wat ik al vanaf het begin had willen doen, omdat we een heuse klant hebben met interessante opdracht). Daar ging hij mee akkoord. Hij vond het belangrijk een goed informeel contact met de politie te onderhouden. Dus gingen we ‘s avonds naar
The Horse’s head waar volgens Lenny Pete Little altijd zou zitten. En ja hoor: hij zat er.
We tipten hem voorzichtig over Cheapside en over vreemdelingen, wellicht Turken, die het huis zouden hebben aangevallen en dat Smith niet meer in Londen was. Hij noteerde het ernstig. Over Blue Mask wist hij niets meer dan wat wij hadden kunnen bedenken met alle informatie uit de krant. Volgens hem zou de zaak waarschijnlijk snel gesloten worden, omdat er geen vermoeden van misdadig opzet was. Vanaf dan was het een zaak voor de verzekeringsmaatschappijen.
January 11, 1923
Reisvoorbereidingen
Je vraagt je wel eens af of de oorlog wel voorbij is. Litouwen schijnt Memelland bezet te hebben. God weet wat ze daarmee denken te bereiken. Wie wil er nu in godsnaam Memelland bezitten? Je zou denken dat ze oorlog voeren om er vanaf te geraken.
Vandaag mijn koffers gepakt. Dat was niet bepaald veel werk. Mijn oude koffer bleek veel te groot voor mijn kleren, toiletspullen, mijn papieren en de notities over deze zaak. Ik wou de rest nog opvullen met romans, maar dat leek me dan weer stom gewicht. Naar Wenen had ik blijkbaar veel meer materiaal mee, maar daar zaten dan ook galakostuums en zo bij. Uiteindelijk ben ik een nieuwe, kleinere koffer gaan kopen. Hij is van glanzend varkensleer en heeft twee eersteklas sloten. Er is nog steeds wat plaats op overschot, maar dankzij de handige riempjes binnenin zal niet alles zomaar door mekaar vallen.
Morgen vertrekken we in alle vroegte naar Parijs.
January 12, 1923
1. Parijs!
Ik ben het gewoon vroeg te moeten opstaan voor een opdracht, maar dan heb je een soort adrenaline waardoor je meteen wakker bent. Dat had ik nu niet, want aan op de trein en de boot zitten is weinig spannends. De trein reed ons op enkele uren naar Dover. Ik sliep onderweg in de gerieflijke eersteklaszetels.
In Dover kocht ik
The Times. Frankrijk en België zijn Duitsland binnen gevallen, het Ruhrgebied. Ik snap dat beter dan het binnenvallen van Memelland, maar ik blijf het onzinnig vinden. Die Fransen zijn toch zo’n heethoofden. Vind je het gek dat daar voortdurend revoluties uitbreken? Straks is het weer oorlog en deze keer heb ik geen opdracht in het buitenland lopen voor het vaderland. Dat wil zeggen dat ik dan opgeroepen kan worden en als ik ergens geen zin in heb, is het dat wel. Misschien dat ik kan vluchten als ik niet in Engeland zelf zit of zo. Dan is het nog niet zo slecht dat we op reis zijn. Ik ga in elk geval niet terug voor ik zeker weet dat het Britse Rijk zich niet opnieuw in een oorlog stort. Constantinus I van Griekenland is gestorven. Hij was al geen koning meer en door zo vriendelijk te sterven lost hij een internationale spanning op. Aardig van hem.
In Dover namen we de boot naar Calais. Al onze papieren waren in orde, ook de wapenvergunningen leverden geen probleem op. Ik bedacht dat ik was vergeten informeren naar Anton von Schweslig, stom. Uit Calais namen we opnieuw de trein, nu naar Parijs. De krant was uit, dus ik gaf haar aan Lenny en sliep opnieuw het grootste deel van de reis. In Parijs vonden we een prima hotelletje,
Les Rois Maudits. Het ligt erg centraal en is toch niet te duur. Met mijn stamelende tien woorden Frans en de hotelbediende zijn twintig woorden gebroken Engels slaagden we er in om twee kamers te regelen.
In Parijs moesten we opnieuw een hele papierwinkel regelen: geld wisselen in Franse Francs, toestemming van de ambassade krijgen om de
Bibliothèque Nationale te krijgen en ook: een tolk op de kop tikken. Via de Sorbonne-universiteit regelden ze iemand die in de Bibliothèque op ons zou wachten en Rémy Vangeme heette.
2. La Bibliothèque Nationale
Als ik écht dol geweest was op bibliotheken, was ik aan Cambridge gebleven natuurlijk. Ik was blij dat Rémy ons hielp. Het is een aardige, maar nogal formele en ernstige student. Zijn Engels is, op een licht accent na, onberispelijk en hij kent de weg in de
bibliothèque goed. We hebben de hele namiddag rondgezocht in de bibliotheek en de standaardwerken geraadpleegd. Gek veel hebben we nog niet gevonden, maar toch al één mooie trofee: in 1920 is er een werk geschreven over de Rol van Sedafkar (zo schrijf je dat dus). Dat zit ook in Constantinopel dus daar zullen we beslist toch eens langsmoeten. De auteur ervan heet trouwens S. Makhriat. Ik zou het graag toeval noemen, maar ik vrees ervoor.
Ik vraag me af of het verstandig is om dat als laatste reisdoel te bewaren. Misschien moeten we er wel eerder naartoe, voor we alle stukken van het Simulacrum hebben gevonden. Wie weet wat leren de geschriften ons, dat het zoeken een pak eenvoudiger kan maken?
‘s Avonds zijn Lenny en ik gaan eten in een restaurantje waarvan ik naam al niet meer ken. Met enige trots kan ik zeggen dat ik er geslaagd ben om in het Frans mijn bestelling te plaatsen, als moet er aan mijn accent nog gewerkt worden, als ik het gezicht van de ober (“garçon”) mag geloven. Nadien zijn we nog naar de Champs Elysées gewandeld, maar het was aardig fris. Parijs bezoeken is eigenlijk iets om in de lente te doen.
January 13, 1923
Complete rotdag
We hebben niets meer gevonden in de bibliotheek. Een hele dag voor niets gewerkt. Rémy bleef geduldig, maar volgens mij vroeg hij zich toch af waar we mee bezig waren. Nu ja, voor vijftig francs per dag zou ik ook beleefd blijven als student.
‘s Avonds zijn we ergens anders gaan eten, maar de rotdag was compleet, want in tegenstelling tot gisteren kon de ober niets van mijn Frans begrijpen en moesten we het aanduiden op de kaart. Wat mij betreft vergeet ik deze dag zo snel mogelijk. Waarom schrijf ik hem eigenlijk in mijn dagboek?
January 14, 1923
Graaf Fedalik
Vanmorgen was ik zo verstandig om te kijken wat er nog meer op te zoeken viel en dus hebben we de Ontweken Moskee en de heer Fédalique eens onder handen genomen. Over de Ontweken Moskee vonden we niets maar, over Fédalique wel.
Rémy vond uit dat het geschreven werd als Fedalik en dat het een Duitse graaf betrof. Hij zou verwikkeld geweest zijn in een schandaal met toenmalige Frans koningin Marie-Antoinette, wegens ‘indiscretie’. Uiteindelijk werd hij geëxecuteerd, volgens de tekst. Toen we dat wisten was het al bijna sluitingstijd, maar het klinkt wel als een aardig spoor. Morgen zoeken we zeker verder.
Om het te vieren zijn we naar het cabaret geweest. Het was heel kostelijk, zelfs al verstond ik het amper. Ik heb me in ieder geval goed geamuseerd.
January 15, 1923
Fedalik, Fénalicheque, Pfenalik
Er is blijkbaar geen echt vaste schrijfwijze voor de naam van de Duitse graaf, wat onze zoektocht niet vergemakkelijkt, maar we hebben toch heel wat gevonden! Dat is voornamelijk de verdienste van Rémy, die er nu zelf ook schik in begint te krijgen nu we naar iets concreet op zoek blijken te zien.
Hij vond twee oude en aangetaste documenten, die de bibliothecarissen niet echt graag ter inzage gaven. We kregen ze toch en ze waren verduiveld interessant.Ze waren gedateerd op ‘juni 1789’ en het is een soort getuigenis over ene graaf Fénalicheque. Die zou in grote luxe gezwelgd hebben en daar joviaal mee hebben omgesprongen. Maar zijn feesten waren zo extravagant dat er ook dingen gebeurden die blijkbaar niet door de beugel konden voor Marie-Antoinette. Er kwam een huiszoeking, de graaf werd gearresteerd en de woonst zelf platgebrand.
In het dagboek van de kapitein die die actie leidde,Louis Mahon, vonden we nog meer informatie. Toen hij binnenviel bij graaf Pfenalik was het feest nog bezig en het was meer een orgie dan een feest. Er waren flink wat Franse edellieden aanwezig, maar alleen wie zich niet kon identificeren werd gerarresteerd. Mahon doorzocht het huis en in de kelder vond hij marteltuigen. Hij schrijft onder meer over een ijzeren maagd waarin ze stoffelijke resten vonden. Mahon noemde de kelders een “poel van verderf, een voorgeborchte van de hel”. De graaf werd halfgek tijdens de actie en moest in bedwang worden gehouden. Hij werd weggebracht, maar Mahon vertelt niet naar waar. We zullen pas maandag weten of dat ergens te vinden is, want morgen is de bibliotheek toe.
January 16, 1923
Rustdag
Lenny heeft de krant gekocht. De Franse troepen hebben geschoten op demonstranten in het Ruhrgebied. Als niet zowel Frankrijk als Duitsland nog volledig in puin hadden gelegen, had ik er voor wil wedden dat er opnieuw oorlog kwam.
Ik heb een lange brief naar Gibbon geschreven en daarin samengevat welke informatie we ondertussen hadden gevonden. Ik heb hem ook de referentienummers van de werken gegeven. Dat zal de mensen van het IPO een boel werk besparen als ze er ooit achter komen zoeken.
Ik kan niet zeggen dat ik het erg vond om eens niet in de bibliotheek te zitten. Ik hoop dat we ons onderzoek binnen enkele dag min of meer kunnen afronden. Over Sedafkar gaan we in Parijs niets meer vinden in elk geval.
January 17, 1923
De eeuwige Bibliothèque
We hebben weer een hele dag gezocht. Er is nog een klein beetje informatie over Fedalik opgedoken, in het dagboek van de lijfarts van Marie-Antoinette, Lucien Rigard. Hij was opgeroepen als medisch specialist bij de rechtbank. Fedalik schreeuwde en was overduidelijk helemaal gestoord, volgens Rigard. Hij beviel daarom genade aan – en levenslange opsluiting. Fenalik ging naar Charenton maar werd er in de kelders opgesloten omdat hij andere gevangenen aanviel. Als ik me niet vergis heeft de Sade daar ook gezeten, zelfs op dat moment. Ik heb het niet extra opgezocht omdat de bibliotheek mijn strot uitkomt en het ook niet van belang is. Ik besef dat dit zoekwerk noodzakelijk is, maar het toch niet helemaal wat ik van ons groot buitenlands avontuur had verwacht.
January 18, 1923
1. Archiefwerk
In de
Bibliothèque Nationale zijn we zo ongeveer uitgezocht. Ik had gehoopt in het werk van de Sade referenties te vinden, omdat het blijkbaar toch zielsverwanten betrof, maar dat was helaas niet het geval. Gelukkig kwam Lenny met een - zo bleek later – voortreffelijk idee. Hij stelde voor om de archieven eens uit te pluizen om te kijken wat er van het landgoed geworden was.
Dat landgoed bleek in Poissy te liggen, een dorpje op ongeveer dertig kilometer van Parijs. We namen ‘s middags de tram en eigenlijk was ik blij dat we eindelijk iets anders te doen hadden dan dat eeuwige bibliotheekwerk. Poissy is werkelijk alleraardigst. Het ligt grotendeels in het bos, langs de oevers van de Seine. Rémy las een bordje voor dat aan de parochiekerk hing waaruit moest blijken dat Sint-Lodewijk hier nog geleefd heeft of zo, maar ik luisterde maar half.
Het stadhuis was open en we werden hartelijk ontvangen door iemand die, naar ik aanneem, de archivaris was. Zijn archief bevond zich op een muffe zolder. Het was een enorme chaos van kartonnen dozen, half verzakte boekenkasten en samengebonden stapels papier. Ik vreesde dat we hier nooit iets zouden vinden, maar de bibliothecaris beweerde de weg te kennen en ging aan de slag. Ik lummelde een beetje rond en bladerde wat door oude boeken, maar het was allemaal in het Frans natuurlijk.
Het moet gezegd, de bibliothecaris was goed in zijn job. Van het proces, dat wellicht in Parijs gevoerd was, zou hij hier niets terugvinden, dacht hij. Ook in Parijs zelf gad hij ons weinig kans. Maar hij vond wel een gravure van het kasteel. Het was een bizar gebouw, een vreemde mengelmoes van allerlei stijlen die helemaal niet bij mekaar pasten. Het zag er op een bepaalde manier eigenlijk griezelig uit. De bibliothecaris vond even later zelfs een oude kaart, zodat we het kasteel konden lokaliseren én plannen! Helaas waren er geen plannen van de kelder, wat na de brand nochtans het enige was dat we misschien konden terugvinden. Lenny trok op kalkpapier de plattegrond van het gelijkvloers over, zodat we toch een beetje een plan hadden.
Met een moderne kaart ernaast wisten we precies waar we de ruines van het kasteel zouden vinden en daar gingen we dan ook naartoe.
2. Dokter Lorien
Rond het landgoed stond nog steeds een muur. Hij was grotendeels ingestort en overgroeid met een rozenstruiken. In de zomer moet het prachtig zijn, maar nu gaf het een nogal sinistere indruk. Er stond in het midden van het perceel een huis waar licht brandde en rook uit de schouw kwam. We besloten maar eens langs te lopen omdat het belachelijk was om stiekem over hun terrein te lopen speuren. Aan de voordeur hing een bordje met “Dokter C. Lorien”. We belden aan.
De dokter zelf deed open en stelde zichzelf voor als Christian Lorien. Het was een aardig man want hij nodigde ons uit voor een kop koffie in de keuken. We legden hem, zonder al te veel details, uit waarvoor we gekomen waren en hij leek geïnteresseerd. Het gesprek verliep moeizaam omdat Rémy steeds moest tolken en omdat de dokter zijn kleindochter voortdurend aandacht vroeg (Lenny morste – zeer efficient – hete koffie over haar) maar hij leek zeer tot medewerking bereid en nodigde ons uit om te blijven eten. Dat sloegen we natuurlijk niet af. Christian ging koken en wij besloten de tuin al eens te bekijken.
Lenny vond vrij snel een plaats in de tuin waarvan hij vrij zeker was dat we daar de toegang naar de kelder moesten vinden. Er was niets te zien op die plaats, dus we zouden allicht moeten graven. Met vriendelijk en (relatief) eerlijk te wezen hadden we van Christian al alles gedaan gekregen, dus we besloten het nu ook maar op die manier te proberen.
We gingen weer naar binnen, waar het eten klaarstond. Christian stelde ons voor aan zijn vrouw, Véronique, aan wie het verhaal opnieuw deden. Toen we tegen haar de naam ‘Fénalicheque’ lieten vallen, herinnerde ze zich plots dat ze daar recentelijk een brief over hadden gekregen! Nou, ze was wel zo vriendelijk die brief te willen gaan halen en we mochten hem zelfs lezen.
Hij was geschreven door ene Edgar Wellington die schreef dat hij “een rol” had waarin het Simulacrum beschreven wordt. Hij was wat beginnen zoeken en was zo op hun terrein uitgekomen en vroeg vriendelijk of ze meer informatie konden geven. Dat hadden ze dus niet gekund. Ik bood aan om de correspondentie met de man op ons te nemen en dat was geen enkel probleem. Zijn adres is:
Edgar Wellington
50 Rue St-Etienne
Lausanne
Zwitserland
Zou die Wellington dé scroll hebben? Ik durf het me nauwelijks voorstellen, het zou bijna te makkelijk zijn als we die zo op het spoor kwamen… Christian en Véronique gingen er mee akkoord dat we de volgende dag in hun tuin wat zouden spitten. De dokter bracht ons in zijn eigen wagen tot aan
Les Rois Maudits en we spraken af voor de volgende ochtend.