China in de laat-19de eeuw

Een intern bericht sturen
Aan:
CC:
Onderwerp
Bericht
vet - cursief - onderlijnd - titel - link tekst - alinea - voorbeeld
Reageren op dit item
Titel
Reactie
vet - cursief - onderlijnd - titel - link tekst - alinea - voorbeeld
  Gebruik mijn ondertekening
27-1-2005, 21u17, door DeHeld
Bon, China stond er dus niet zo denderende voor in de tweede helft van de eeuw. De Arrow-oorlog viel samen met het begin van Nian-rebellie, en ook de moslims roerden zich weer. Bovendien was in 1861 keizer Xianfeng gestorven. De opvolging was niet problematisch in die zin dat er maar één kandidaat was. Kwestie was, Tongzhi was maar zes jaar oud. Zijn moeder, Cixi, nam het regentschap op zich, gesteund door Prins Gong, die eerder al in beeld was gekomen toen hij de oorlogen moest beheersen met crisimanagment - omdat de rest van de familie was gevlucht. Aan het hof waren nog een handvol invloedrijke figuren, maar over het algemeen bloedde de macht weg van het centrum naar lagere niveaus, die met daadkrachtig optreden of goede politiek gezag hadden gevestigd ten lande. Dat gold zeker ook voor hen die de opstanden neersloegen. Ze waren de facto zelfstandig, maar mede dankzij een confucianistische ethos bleven ze de Qing trouw. In Peking werd eindelijk een centraal orgaan opgericht voor buitenlandse betrekkingen, want in de plaats moest komen voor de tribuutrelatie die eerder waren vastgelegd. Ook vreemdetalenonderwijs, internationaal recht en douanezaken werden eraan toegevoegd, in een poging greep te krijgen op de buitenlandse aanwezigheid. Het zag er even naar uit, dat de tijd van confrontatie voorbij was. Ondanks de religieuze veelvormigheid van de Qingstaat bleven christenen een beetje een heikel thema, mede omdat ze zo'n machtsblok achter zich hadden, evenwel. Via het onderwijs werd dat zoveel mogelijk weggewerkt, en met enig succes.


Tenslotte wel ook even aanstippen dat de voortdurende onrust in China zelf een pushfactor voor emigratie was. Ze gingen voornamelijk naar Azie en de Nieuwe Wereld (rietplantages, spoorwegaanleg) ... transport werd goedkoper, de economie draaide er en slavernij verdween. Het stereotiep van de "spleetoog" met kaal voorhoofd en lange staart die aan de spoorweg werkt of een wasserij uitbaat, stamt uit deze periode. Die haardracht was oorspronkelijk een Manchu-gewoonte, die werd opgelegd nadat ze China veroverden. Het haar anders dragen werd dus in de negentiende eeuw een daad van verzet. Het imago was veeler slecht: ze raakten moeilijk ingeburgerd (en waren dus makkelijker uit te buiten), waren 'anders', en er waren veel meer mannen dan vrouwen, die dan nog eens uit beeld verdwenen. Dat ze nogal samenhokten hielp niet. De Qing hadden vanouds weinig belangstelling voor mensen die hun vaderland de rug toekeerden. Uiteindelijk stemden de VS wetten, die immigratie van Chinezen verbood. (Natuurlijk, later werden alle 'racially unfit' personen uitgesloten en voerden ze er een soort eugenetische politiek,om maar even een perspectief aan te reiken.)




Maar goed, de confucianistische staatlieden begonnen te dromen van een 'zelfversterking' door moderniseren van staat en leger. Daarbij moesten ze natuurlijk opboksen tegen de bestaande problemen, en wat centraal gezag bevestigen. Helaas bleef een echt sterk leiderschap uit. Cixi regeerde in de plaats van de keizer, die ook nog eens stierf op 19jarige leeftijd, voor hij enige rol kon spelen. Hij had een toen zwangere vrouw, maar Cixi slaagde erin Guangxu, een neefje van haar, op de troon te krijgen. Die was 3. En dus regeerde Cixi verder. Slechts één hoge functionaris pleegde zelfmoord vanwege deze schending van het erfrecht, want Guangxu was een neef en dus van dezelfde generatie als de gestorven vorst. Bijgevolg kon hij niet perfekt de vooroudercultus op zich nemen. De meesten hielden gewoon hun mond. Cixi was een harde maar bekwame vrouw. Helaas stond ze aan de andere kant, want ze was conservatief en wist goed dat de meeste hervormingen tegen haar gebruikt zouden kunnen worden. Onder meer daarom probeerde ze Prins Gong opzij te zetten. Andere onafhankelijke geesten trachtte ze op missie buiten de hoofdstad te sturen, zodat ze haar eigen mannetjes op hoge plaatsen kon zetten. Er waren wel aanzetten tot moderne ondernemingen en onderwijshervormingen.




Maar de toestand bleef precair. Japan had sinds de Meiji-restauratie een indrukwekkende hervorming doorgevoerd en werd snel een nieuwe machtsfactor. Een moord op een Britse consul moest worden vergoed met toegevingen. De Fransen begonnen in Indochina aan een verovering. De Qing gingen hen met hervonden vertrouwen te lijf, met als gevolg dat hun vloot door de Fransen vernietigd werd, in een korte oorlog (1884). In Korea, een vroegere tribuutstaat die nu "onafhankelijk" was, hadden de Chinezen belangen te verdedigen, maar tijdens een opstand bereikten Japanse troepen voor de Chinezen Seoel, en installeerden er een getrouw regime. Er volgde een voor China rampzalig oorlog -de zoveelste op rij- die erin uitmondde dat de vloot ook daar gekelderd werd, en de Japanners tot in China oprukten. De toestand was hopeloos en dus mocht Prins Gong de kastanjes uit het vuur komen halen. Hij moest het smadelijke Verdrag van Shimonoseki aanvaarden. Japan sloot zich aan bij de andere machten die China ontmantelden; de belofte van de zelfversterking was niet gehouden. Het werd nooit meer echt beter.




Het nieuwe en het oude bleven dus in een halfafgewerkte versie naast elkaar bestaan. De buitenlanders verhoogden hun greep op economie door investeringen en ondernemingen. Ze hadden zelfs bepaalde gebieden in de havensteden onder hun gezag. China zocht heil in de traditie, maar erkende de technologische superioriteit. Dat deze combinatie niet onmogelijk was, stond centraal in het denken van een groep hervormers. En plots dook er een nieuwe speler verrassenderwijs op op het toneel: de keizer. Guangxu was in het jaar dat het Verdrag van Shimonoseki gesloten werd (1895) al een jongeman van 24, en het memoriaal met hervormingsvoorstellen was aan hem gericht. Hoewel hij door zijn tante gedomineerd werd, besloot hij deze keer eens iets te doen. Maar hij had zelf weinig macht, en werd door de bureaucratie buiten gehouden. Rond dezelfde tijd had Sun Yat-sen via het christelijke onderwijs moderne staatsideeën als democratie en republiek leren kennen. Hij was onder de indruk van het Westerse denken en geloofde niet meer in hervormingen. Hij stichtte een geheim genootschap voor de herleving van China, en werd erg anti-Manchu. Zijn ideaal was een republiek. Het keizerrijk was niet erg geamuseerd toen ze dat ontdekten. Sun vluchtte naar het buitenland. In 1896 probeerde men hem te ontvoeren in Londen, wat mislukte, en Sun werd meteen veel bekender. Hij kreeg de steun van vermogende Chinezen die zijn ideeên deelden en vormde cellen in het buitenland rond China. Dezelfde Sun yat-sen stond later, in de 20ste eeuw, aan het hoofd van de GMD (GuoMingDang) en zijn opvolger daar was Chang Kai-chek. Maar dat was later.


In 1898 deed Guangxu, die Engels had geleerd en zo veel kennis vergaarde over het buitenland, een greep naar de macht. Hij nam zelf het bestuur in handen en lanceerde de 'Honderddagen-hervorming'. Op basis van de voorstellen van 1895 vaardigde hij een reeks edicten uit. Het examensysteem (de eeuwenoude basis van het ambtenarensysteem gebaseerd op het confucianisme), economie, onderwijs, leger,... waren het doelwit. Hij benoemde medestanders in de administratie.


Maar de reactie bleef niet uit. Zijn poging om tante Cixi (in het Engels the Empress Dowager - de keizerin-moeder vrij vertaald) uit de macht te ontheffen viel daar niet goed. Conservatieve bureaucraten en functionarissen vreesden dat de Chinese identiteit eraan zou geloven, en kozen haar kant. Cixi nam het roer weer in handen in de Verboden Stad, Guangxu kreeg huisarrest, zijn medestanders nog veel ergere straffen.


Ondertussen werd China langs alle kanten in de hoek gedrongen: Ruland, Frankrijk, Japan, Engeland, de VS... probeerden hun belangen uit te breiden. In die context moet in 1898 de opkomst van de Boksers gezien worden. Het ging om een amalgaam van geheime groepen en milities, die gebonden werden door een nationalistisch xenofoob denken. Ze voelden zich geprovoceerd door christenen in China. Sommigen geloofden blijkbaar dat ze immuun zouden zijn voor kogels. Hun aanvallen op missionarissen breidden zich uit naar buitenlanders in het algemeen, en ze verenigden onder de Qing-vlag. De aantallen zwelden aan en enig leiderschap was er niet de "Boxers Verenigd in Rechtschapenheid" waren een soort volkswoede. Ze stroomden Peking en Tianjin binnen. De reactie van de overheid was verdeeld. De buitenlandse machten voelden de bui al hangen en maakten zich klaar om troepen te sturen. Toen een Duitse minister werd neergeschoten en de buitenalndse wijken werden aangevallen, kwamen de legers in actie. Cixi kondigde aan dat de Boxers een loyale militie waren, en dat er oorlog zou zijn tegen de buitenlanders in China. Dat had ze beter niet gedaan. Er volgde een slachtpartij onder de vreemdelingen. In Peking zelf verschansten ze zich achter barricades. Een complexe, multinationale legermacht kwam Peking ontzetten en sloeg de Boxers uiteen. Dat was in de zomer van 1900. De keizerlijke familie trok zich terug, maar werden door verse Westerse eenheden achtervolgd. In 1901 werd hen het Boxerprotocol opgedrongen. Er moest een repressie komen van de Boxers, een monument voor de gesneuvelde Westerlingen, de diplomatische wijk zou door buitenlandse troepen worden verdedigd, en er volgde herstelbetalingen. Die zouden pas in 1940 helemaal ingelost worden.




Meer dan een Qing-rijk of een Chinese cultuur ontstond het denkbeeld van een Chinese natie. Het land kon zich niet vrijmaken van buitenlandse inmenging tot halverwege de 20e eeuw, maar de invloed van denkers in de diapsora groeide. In 1905 werd het examensysteem obv confucianistische teksten afgeschaft. Legerhervormingen, toegevingen aan constitutionalisme, spoorwegen en leningen verhoogden de druk. De duw werd gegeven bij ene explosie in Wuhan in 1911: revolutionaire bommenmakers ontploften te vroeg. Om te voorkomen dat het net werd opgerold, begonnen de revolutionairen een opstand. De rebellie sloeg om zich heen, de Manchus werden verslagen. Uiteindelijk werden verkiezingen uitgeroepen in 1911. Begin 1912 besloot men dat de zesjarige keizer Puyi zijn vier jaar oude "regeerperiode" maar moest afbreken. China werd een republiek (en werd later nog heel even een keizerrijk). De staat verbrokkelde al snel. Puyi kreeg later nog een formele post aan het hoofd van Machuguo, van de Japanners. China werd verscheurd maar de gedachte China bleef leven. In 1949 slaagden de communisten er weer in het land te integreren. Minus Taiwan; maar dat is een andere historie.

Reacties

naar boven