Straatventers stonden dan weer aan de verkeerde kant van de vooruitgang. Hun situatie ging er steeds meer op achteruit: ze verloren terrein aan kruideniers en warenhuizen, met de ontwikkeling van een moderne economie. Bovendien hadden ze veel minder politieke macht dan de middenstanders, die ervoor zorgden dat de venters aan een keurslijf van wetten werden onderworpen. Waar ze het dus eerder al niet makkelijk hadden (de afwezigheid van stock zorgde ervoor dat enkele slechte verkoopsmaanden een duik in de armoede betekenden en naast onderlinge solidariteit was er ook veel concurrentie) werd het voor hen langzaam onleefbaar. Venters vormden een gesloten gemeenschap (met een eigen taaltje!) die op voet van oorlog stond met de politie. Dat beterde er dus niet op met regelgeving die de venters dwong mobiel te blijven en geen standplaats in te nemen. Armoede en diefstal lagen vaak op de loer, maar anderszijds verenigden ze zich wel tegen de buitenwereld. En iemand die de leurders voor de voeten liep gaven ze dus niet aan bij de autoriteiten, maar maten ze zelf een straf toe. De naam venters trouwens niet verkeerd interpreteren, er zaten ook veel vrouwen en meisjes tussen; de kinderen waren zelfs notoir brutale rekels, die met hun slimmigheden de agenten durfden treiteren. Voorts leefden ze wel samen, net zoals trouwens de navvies deden, maar met sacramenten namen ze het niet zo nauw. Voor de slechte verstaanders: er werd niet getrouwd. Nu is dat normaal, toen vond de goegemeente dat nog veel erger.

Venters droegen doorgaans opvallende kledij, vaak met felle kleuren, maar de kledingstukken hangen natuurlijk af van het seizoen. Velen onder hen zaten hopeloos in de greep van de woekeraars. (Even opmerken dat leurders, straatverkopers en venters niet noodzakelijk onder dezelfde wetgeving vielen maar over het algemeen zaten ze in hetzelfde schuitje qua sociale omstandigheden.)
Schoorsteenvegers hielden doorgaans (en soms met dwang) jonge kinderen in dienst die lenig en klein waren. Vaak werden ze gebrutaliseerd door hun oppassers, want schoorsteenvegers waren een zootje dat al eens graag de vuist liet spreken. Uitbuiting was inherent aan de samenleving - in de steden leefden velen onder de werktafel van hun sweatshop waar ze al blij waren als ze hun jas nog hadden om als deken te dienen.
Om de zaken nog erger te maken wisten deze behendige jongens dankzij hun klimvaardigheden af en toe te ontsnappen uit de klauwen van de politie, voor of na het vonnis. Ze hadden een beetje het stigma van inbrekers over zich, maar het is waarschijnlijker dat ze informatie over de huizen doorverkochten aan degenen die er wilden inbreken. Tenslotte ook nog even aandacht besteden aan een wel heel wijdverspreid soort misdaad: die op het werk. Het was toen net zoals nu verleidelijk al eens iets van het werk mee naar huis te nemen, of dat werk nu op het veld, in een dok, in het bos, of waar dan ook is. Huishoudpersoneel kan in het huis dingen wegnemen en verkopen of verpanden. Knoeien met gewichten of kwaliteit kwam toen ook voor, en bij lossere bepalingen is het vaak zelfs niet bewust kwalijk. Wie zou het een drukker euvel duiden, als hij op kosten van de opdrachtgever een exemplaar voor zichzelf neemt? Meten is an sich al niet altijd even precies, dus is er wat speelruimte. Als je 20 ton steenkool uit een ruim haalt, ontstaat er geen ruzie als je een kilo tekort komt, weet je wel. Bij grotere eenheden of bedragen komen al helers te pas, dat is dan de overgang naar georganiseerde misdaad. Conducteurs van omnibussen hielden ook altijd wat geld achter: dat was geweten en er viel weinig tegen te doen. Zo lang er niet overdereven werd, kneep het bestuur een oogje dicht.
Knoeien met de maten is essentie ook wat malefide baruitbaters deden: gin, wijn en dergelijke aanlengen. Natuurlijk: als je dit te vaak deed (in essentie water in goud veranderen) werd het letterlijk en figuurlijk doorzichtig. Er waren schijnbaar manieren om als niet de smaak, dan toch het brandende gevoel van alcohol in drank te behouden na het verdunnen. Laat ons wel wezen: die vallen eigenlijk onder gifmengerij. Om het geknoei te verdoezelen gebruikten ze stoffen die daar niet voor dienen.
Om terug te komen op lage klassen en misdaad: het was een era van uitbuitingsarbeid en lompenproletariaat, wat zowel voor bovenvermelden geldt als voor de fabrieksarbeiders en de sweatshops. De laagsten klassen leefden in miserie, en het mag niet verwonderen dat beroepen die uitsluitend door hen werden verricht, met het criminele milieu gelinkt waren.



