Dit is me opgestuurd door de briefmailspeler van het domein Kleinau. Dit is al pseudo-officieel.
Het jonkersgoed Kleinau
Het jonkersgoed Kleinau voor de snelle lezer
Leenheer: Jonker Bomil te Kleinau
Wapen: In lazuur een gouden vlam
Landschap: gebergte, heuvelland, naald-wouden, gewoon akker- en weiland
Wateren: vele beken, enkele vennen, geen grotere rivieren of meren
Inwoners: ongeveer 210
Belangrijke nederzettingen: Kleinau (150), het herenhuis Olmenhoogte (20)
Helden en heiligen: Haldan de Wandelaar (stichter van de Kleinause Traviakerk), Korisande en Gunelde te Kleinau (verdedigsters van het land tijdens de Keizerloze Tijden)
Feestdagen: 30. Efferd / 1. Travia (Nacht van het brandende water)
Landschap, flora en fauna.
Vlakbij de grens naar het Horasrijk in de Windhagse baronie Zuidhag gelegen, behoort het jonkersgoed Kleinau tot de zuidelijke leengoederen van het Nieuwe Rijk. Maar hoewel het Oude Rijk slechts enkele mijlen verwijderd is, kan het net zo goed honderd of duizend mijl zijn. Zo verschillend is de leefwijze van die van over de grens. Want het leven is voor de bewoners van dit landschap vaak het reinste overleven. De oogsten zijn vaak karig en dan moet de cijns nog worden betaald aan de niet bepaald bescheiden adel.
Daarom vreest men een lange winter bijna nog meer dan de gevaren van de wildernis.
Karig en rotsig heuvelland, doortrokken van tientallen minuscule beekjes, beslaan een groot deel van de oppervlakte van Kleinau.
Ooit bijna ondoordringlijke naaldwouden werden haast volledig gekapt om de oorlogshaven Harben van hout te voorzien.
De roofbau lieten grote vlaktes achter, die enkel te gebruiken zijn voor veeteelt. Desondanks zijn er nog enkele wildrijke wouden gespaard gebleven.
Het landschap wordt bovendien door het nabije massief van de Winhagse hoogtes en toppen bepaald. Ruwe ruggen, diepe kloven en hoge stijle wanden, vrijwel ongelooflijke rotsformaties bieden een indrukwekkende en tegelijk bedreigende aanblik.
Verscheidene roofvogels, zelfs koningsadelaars en vooral stormvalken cirkelen hoog aan de hemel.
Maar ook enkele angstaanjagende harpijen hebben hier hun verblijfplaats gekozen.
Zo verbaast het ook niet, dat de Kleinauers ontelbare sagen kennen over de Windhagbergen. Geheimzinnige oorden en wezens zouden er hier zijn en niemand weet of er niet een korreltje waarheid schuilt in deze overleveringen.
Enkele diersoorten van het Lieflijke Veld zijn hier reeds te vinden (tenminste in de zomermaanden). Zo heb je saffier- en regenboogfasanten, stinkdieren alsook de zoetmuil, een dassensoort, die zich vaak tegoed doet aan de suikerbieten op het veld.
Voor de rest vindt men hier dezelfde dieren als in de rest van Windhag. De wandelaar zou zich echter beter hoeden voor vrij vaak voorkomende zilverleeuwen, alsook de magiërs voor de nachtwinden, als men de bewoners mag geloven.
Het klimaat is in Kleinau weliswaar milder dan in de noordelijke delen van het Markiezaat, maar vanwege de karige grond groeit desondanks niet veel op de velden. Hop en gierst waaruit een bier van lage gisting met veel hop wordt gebrouwen, dat men tot in Harben verkoopt, verder meerdere soorten van bieten en kool alsook vlas, waaruit zeildoek en linnen wordt vervaardigd.
Alle twee, drie jaar bemesten de boeren de velden met kalk uit de bergen, omdat de aarde snel uitgeput geraakt. Zonder de jaarlijkse zegen van de rondtrekkende Peraine-gewijde zouden de akkers vermoedelijk al lang geen vruchten meer dragen. In ieder geval wordt dat beweerd door enkele Tobrische vluchtelingsfamilies, die na de Borbaradiaanse invasie hierheen zijn getrokken.
Aan de smalle veldwegen trotseren oeroude peren-, appel- kweeperenbomen de voortdurend waaiende Beleman.
De akkers en weiden worden door haagrozen, hazelnootstruiken en sleedoorns beschermd tegen de wind.
In verbazingwekkend grote hoeveelheden groeit de wilde knoflook aan de oevers van de stroompjes. De verkoop an deze en andere wilde planten bezorgt de inwoners een bijkomstige bron van inkomsten, wat ze ook bitter nodig hebben, vermits de armoede groot is in Kleinau.
De meeste Kleinause boeren zijn onvrij en moeten de schaap- en runderkuddes van de jonker hoeden of ze ploeteren voor hun heer op de [Scholle].
Van groot belang is nog steeds de houthakkerij. De armsten der armen echter, leveren dagdagelijks beenhard werk in de oude, kleine steengroeve, waar krijt wordt gewonnen.
De weinige vrije boeren bezitten daarentegen tegenwoordig nauwelijks nog land, waarop er bovendien nauwelijks nog iets wil groeien.
De geschiedenis van Kleinau
Over de stichting van de Kleinause Traviatempel
(...) Zo baande zich Haldan veraf van het pad een weg door het oergeweld van de sneeuwstorm. Vanuit de hoogtes van de Windhagse bergen striemden ijskristallen als kleine naalden naar beneden..
Weer en weer struikelde hij en storrte neer in de meer dan kniehoge sneeuw. Hij wist dat enkel nog een wonder hem van de wisse dood in deze als het ware nederhelse koude kon bewaren. En zo viel hij neer op de knieën en richtte vol hoop een gebed aan de goede Vrouwe Travia, opdat ze hem moge redden.
En ziedaar, toen Haldan zijn blik weer verhefte, was er een gulden lichtschijnsel in de verte. Dat licht volgde hij vol dankbaarheid want hij waande aldaar een nederzetting. Maar toen hij er aankwam was er geen enkel gehucht, geen hut, geen kampplaats. Wat hij vond was een kleine, ijsvrije rivier die in heldere vlammen brandde. Hoog tongden de vlammen en een vriendelijke warmte stroomde het uit, die recht tot in Haldans hart en geest drong. Geen kou was er meer in zijn lichaam, geen vertwijfeling meer in zijn ziel, want Travia had hem gehoord. Het was alsof hij weer thuis was temidden van deze dodelijke wildernis.
Zo slaagde hij erin, de nacht te doorstaan. Toen hij de volgende ochtend ontwaakte, as het vuur gedoofd, de storm bedaard. Haldan sprak een eed, dat hij aan deze plaats, waar de beek heeft gebrand, een tempel zou oprichten ter ere van Travia. En zo gebeurde het. Toen hij enkele manen later terugkeerde, werd er een kleine kerk gebouwd aan de stroom (…)
Zijn dochter Korisande verkreeg echter de heerschap over de „Kleine Ouw“, opdat Haldans bloed land en volk zou beschermen, voor eens en voor altijd!
Als aandenken aan het goddelijke vlammenteken, echter, verkoos zij als blazoen een gouden vlam op een schild in azuur
– sage uit de streek van Kleinau
Of de stichting van de Kleinause kerk zich inderdaad op deze wijze heeft voorgedaan, kan tegenwoordig niet meer worden vastgesteld. Er bestaan immers geen documenten meer uit die periode die het Traviawonder kunnen bevestigen.
De tempel werd voor de eerste keer officieel vermeld in een Noordmarks document, anno 98 voor Hal. Daarin wordt de benoeming van een jonge gewijde tot tempeloverste van de „pas gestichte kerk aan de Kleine Ouw in de baronie Zuidhag.
Van de volgende jaren is er nauwelijks nog iets bekend. Er zijn echter getuigenissen te vinden, waarin een man die de naam Haldan draagt, het hoofd is van een brucht Zuidhagse roversbende.
De Keizerloze Tijden
Toen Vinsalt tijdens de Keizerloze Tijden anno 73v. H. een leger van huurlingen naar Elenvina stuurde, werden -vermoedelijk op bevel van de familie Garlischgrötz- ook delen van Windhag bezet door Liefveldse troepen. Haldans dochters Gunelde en Kunisande begonnen daarop de „verdedigingsstrijd“ tegen de Vinsalters.
De facto overvielen ze handelskaravanen en af en toe ook bevoorradingstransporten van de Grangorers met de hulp van struikrovers en gedeserteerde soldaten.
Vermits deze „vrijschaarders“ uitmuntend bekend waren in de bergen, konden ze de Liefvelders steeds weer ontkomen.
Uiteindelijk werd Gunelde anno 66 v.H. gevankelijk naar Grangor gevoerd en aldaar in de Schenderwaat terecht gesteld door verdrinking. Haar zuster Korisande kon echter ontsnappen en zette de roofovervallen onverminderd voort.
De belening
Na de nederlaag van het Lieflijke Veld en de bestijging van de keizerstroon door Perval, anno 60 v.H. werd Korisande door de Windhagse graaf tot jonkvrouw verheven als dank voor haar diensten.
Als leengoed kreeg ze de landerijen nabij de grens in de baronie Zuidhag, de „kleine Ouw“.
Maar de tijden bleven onrustig. Steeds weer werden alleenstaande hoeves door vogelvrijen aangevallen en beroofd. Jonkvrouwe Korisande staat er echter vrij machteloos tegenover, vermits ze steeds pas dan aankomt, als de vogel reeds gevlogen is. Toen Korisande anno 55v.H. het leven laat bij een toernooi wordt haar zoon, Ernbrecht, jonker te Kleinau.
Het weerdorp (??? Germanisten en historici: is dit Nederlands ???)
Onder het voorwendsel om de plaatselijke woudboeren beter te kunnen beschermen, beval Ernbrecht hen reeds enkele maanden later om hun verspreide hoeves te verlaten. In plaats daarvan moet er een door een palissade beschermd weerdorp aan de Traviatempel worden gebouwd, zodat een verdediging gemakkelijker wordt.
Enkele families schikken zich echter niet onmiddellijk in deze verordening. Woedend laat Ernbrecht iedere hoeve van de „opstandelingen“ aansteken en tot op de grondvesten afbranden. De mensen hadden zomede geen enkele andere keuze dan hun toevlucht te zoeken in de pas gestichte nederzetting Kleinau. De gedwongen verhuizing geschiedt met stille goedkeuring van de nieuwe Kleinause Traviapriesteres Bernika. Dit kan ermee te maken hebben dat ze een zuster is van de jonker en dat de machtspositie van de familie door Ernbrechts maatregel sterk verbeterd werd.
Sedertdien is de tempeloverste echter steeds een lid van het huis „Kleinau“.
Ondanks deze twijfelachtige rol slaagt de ambitieuze Traviapriesteres erin, het kleine dorp tot een gemeenschap samen te sprokkelen.
Vele van de tegenwoordig in Kleinau gebruikelijke rituelen zijn te wijten aan Bernika’s werk. De sterke cultus van de „plaatselijke heilige“ Haldan wordt door haar bevoed en het „feest van het brandende water“ wordt in het leven geroepen.
In de volgende jaren worden de overvallen door bandieten inderdaad zeldzamer. 51 v.H. wordt het dorp echter als het ware belegerd door een bende orken.
Pas samen met de wapenknechten van de Zuidhagse baron kan Ernbrecht de zwartpelsen vernietigend verslaan. De zwartpelsen worden tot de laatste ork over de kling gejaagd.
Ernbracht sterft kinderloos in het jaar 37 v.H.
Bernikas zoon Trautman neemt het gezag over in Kleinau.
Tijden zonder gebeurtenissen
Jonker Trautmans tijd als heer van Kleinau is één van de rustigste periodes uit de jongere geschiedenis. Toen Trautman anno 9 v.H. zijn inkeer neemt in Borons Hallen, wordt zijn enige dochter, Gunelde, jonkvrouw te Kleinau.
In 18 Hal sterft zij in de strijd tegen de Answinisten. Sindsdien is jonker Bomil de heer van Kleinau.
Het dorp Kleinau
Kleinau zelf stelt niet veel meer voor dan een verzameling eenvoudige hutten en hoeves aan de zuid-oostelijke oever van een beek zonder naam.
Ieder huis bezit een kleine moestuin, waarin kool, bieten, bonen, uien, erwten en ook look wordt geteeld. Tussen de hutten stoeien varkens, geiten en allerlei gevogelte. In de herfst en na de dooi veranderen de ongeplavijde wegen zich in een drassig gebeuren. Derhalve worden er dan ook houten planken uitgelegd.
Een eenvoudige palissade met een enkele poort in het zuiden beschermt het dorp provisoir tegen overvallen. Vanwege de alom tegenwoordige bedreiging uit de bergen, zij het door dier of mens, draagt iedere inwoner ten minste een lang mes bij zich als hij de bescherming van het dorp verlaat.
Twee gemeentenaren werden in de lage „wachttoren“ in de pallissademuur ondergebracht. De ene wordt geplaatst door de baron, de andere door de jonker. De ordehandhavers zijn echter meer bezig met elkaar in het oog te houden dan met de bescherming van de bewoners of het oplossen van de weinige delikten.
Vrijwel precies in het centrum van de plaats staat er een mooie stafkerk, die gewijd is aan Travia. Zij valt op doordat ze met haar rijkelijke houtornamentiek afsteekt tegen de sombere omgeving. De kerk, met muren uit verticale houten palen en steile, over elkaar gelaagde daken, is aan de gevels versierd met vliegende ganzen en aan de deuren pronken er talloze vlammen- en dierenornamenten.
De Kleinause burgers zijn terecht trots op hun Godinnenhuis en de families besteden heel wat tijd aan het instand houden ervan.
De armoede van de Kleinauers verhinderde echter onlangs de noodzakelijke werkzaamheden aan de fassade en het dak. Pas de vrijgevige donatie van een Praiospriester anno 28 maakte een reparatie van meer dan het noodzakelijkste mogelijk. Intussen straalt het bouwwerk weer in oude glorie.
De enige gewijde, vader Radulf te Kleinau, oom van de huidige jonker, hoed reeds vele jaren het haardvuur van de tempel. Volgens de overlevering stamt dit nog steeds van het goddelijke vuur dat de heilige Haldan ooit redde.
Voor Travias huis bevindt zich een klein tempelplein, waarlangs de belangrijkere huizen zijn geschaard. Ook een kraal voor de tempelganzen werd hier ingericht.
Boven de deur van een half verzakt vakwerkhuis, dicht bij de tempel, schommelt er een uithangbord, waarop men met veel moeite en fantasie een gans en een vos kan herkennen. Dit is de taveerne Gulden Gans en Rode Vos.
De Kleinauers zelf noemen de kroeg vaak schertsenderwijs Gepluimd Kieken en Erbarmelijke Koter vanwege de slechte tekening, uiteraard alleen dan als de waard Mowert en zijn gade Gissa niet aanwezig zijn. Tenslotte wil men het zich niet bij hen verzuren, want de uitstekende brandewijnen wil niemand in het dorp missen.
Vooral geliefd is de Kleinause Vlam, een hooggradige perenjenever, die brandend wordt opgediend bij bijzondere gelegenheden. Voor de rest blijft men eerder bij het Kleinause bier, dat veel goedkoper is.
De andere taveerne en tevens herberg van het plaatsje is de Onuitputtelijke Ketel, vlak aan de ingang van het dorp. Hier verblijven de weinig reizigers die in Kleinau terecht komen. Er is weliswaar enkel een grote slaapzaal, vlak onder het dak, maar er wonen gelukkig niet al te veel „huisdiertjes“ in de slaapplaatsen.
Het huis is het eigendom van de skald Phileas Oddason, een opvallend kleine Thorwaler met intussen grijs haar, die al jaren geleden in Kleinau is blijven hangen. Hij heeft een volle stem en draagt in de gelagzaal graag Thorwalse heldenepossen (???) voor, als men hem erom vraagt.
Als de praiosschijf echter achter de horizon verdwijnt, trekt de skalde zich samen met zijn gasten terug in de Gans en de Vos omdat hij al bijna even vele houdt van Gissa en Mowerts jenevers als van echt Prems Vuur.
Het is dan ook een eigenaardig schouwspel, als Phileas en zijn gasten met krukjes, banken en het één of het andere vaatje bier door het halve dorp naar de „concurrentie“ trekken.
Naast de blokhut van de gemeentenaren aan de palissade vindt men een kleine smidse. De smid, Susa Angbarer, vervaardigt hier niet enkel hoefijzers, ploegen en andere ijzeren werktuigen, maar ook eenvoudige messen en dolken. Een voor haar lucratieve zaak voor is het smeden en versieren van de lemmeten (en enkel de lemmeten) voor de in heel Windhag voorkomende dubbele lelies.
Tot de weinige regelmatige bezoekers van Kleinau, behoort ook de „jageres“. De misschien 50 jaar oude woudloopster, wiens ware naam niemand kent, brengt hier ieder jaar de winter door.
Op een gegeven ogenblik verschijnt ze in de nederzetting, enkel begeleid door haar half verwilderde hond en een zwaar beladen ezel. De volgende ochtend valt dan ook zonder enige twijfel de eerste sneeuw.
Het gevoel voor het begin van de winter, dat de jageres eigen is, is ten zeerste verwonderlijk. Geen enkele Kleinauer kan zich herinneren dat ze ooit te vroeg het dorp heeft betreden, laat staan te laat.
Als in de lente het ijs begint te smelten, trekt het haar weer in de wildernis om de winter daarop weer haar plaatsje te betrekken in de Onuitputtelijke Ketel.
Op deze bijzonderheden na, is Kleinau een vrij saai gehucht. Eens in het jaar echter, in de nacht voor de eerste Travia, wordt de gemoedelijke rust doorbroken. Dan viert de bevolking immers het „feest van het brandende water“ ter ere van Haldan, hun lokale heilige.
Om dit te vieren laten ze met talklichtjes bezette scheepjes en schalen brandend de rivier afvaren. Ongeveer een mijl verder stort de kleine vloot dan een watervalletje af. Als er ten minste nog één scheepje de val brandend overleeft, geldt dit als een gunstig voorteken van Travia voor die winter.
Het herenhuis Olmenhoogte
Op een heuvel, een heel eind oostelijk van het dorp, staat het landhuis van de jonker, genaamd Olmenhoogte. De zogenaamde hoge hal werd in de voor Windhag typsiche versterkte bouwwijze opgetrokken. Op een vierkante, inmiddels volledig door klimop overwoekerde stomp uit [Bruchstein] staat een hoog vakwerkhuis, waarvan het [Krüppelwalmdach] met okkergele leien is bedekt. Een in geval van nood gemakkelijk neer te halen houten schans leidt naar de poort, die zich op drie-en-een-halve pas hoogte en dus nog in de stomp bevindt.
Het herenhuis is door zijn constructie goed verdedigbaar, waardoor het de familie en de weinige bedienden van de jonker gemakkelijk kan beschermen tegen plunderende goblinbendes en ander gespuis.
Zulke overvallen zijn hier in het zuiden echter minder frequent als in andere regio’s van het Windhaggebergte. Daarom durfde men ook enkele nutsgebouwen en zelfs een Thorwals badhuis op te richten voor de heuvel. In het geval van een aanval zijn deze onversterkte gebouwen dan wel reddeloos verloren.
Aan de voet van de heuvel, staat er een merkwaardig vergroeide, 20 pas hoge bloedolm, die het huis zijn naam verleende.
Aan deze plek zou er ooit een eenhoorn zijn gesneuveld, toen het een jonge maagd van een horde orks redde.
Vermoedelijk stamt deze legende in het feit, dat de stam van deze magische boom gedraaid is, als de hoorn van een eenhoorn.
Personages in Kleinau
[Seine Wohlgeboren] Bomil te Kleinau, jonker te Kleinau
Bomil te Kleinau werd op 5. Rondra 15 v.H. als enige zoon van de jonkvrouwe Gunelde te Kleinau geboren. Zijn vader leerde hij nooit echt kennen, want deze verliet de familie nog voor Bomil vier jaar oud was.
Naar het schijnt zou de toekomstige jonkere tot ridder moeten worden opgeleid maar Bomils wilde temperament zou de plannen van zijn moeder teniet hebben gedaan. De Noordmarkse ridder, waar hij schildknaap was, zou hem al kort na het begin van zijn knaapschap naar huis terug hebben gestuurd omdat hij te onbeheerst zou zijn en niet over de juiste geest zou beschikken.
Hoe dan ook, hij slaagde desondanks in een opname aan de krijgersacademie te Elenvina –onder de druk van zijn moeder, zegt men. Na afloop van zijn opleiding reisde hij een tijd doorheen Avonturië, vooral binnen de verschillende provincies van het Nieuwe Rijk. Op deze tochten leerde hij zijn latere gade, Linai van de Silvengrund kennen. Uiteindelijk trad hij op een leeftijd van 20 toe tot het leger van het Middenrijk. Daar viel hij op door zijn taaiheid, ambitie en wapentalent. Zo verzamelde hij snel heel wat ervaring. Hij diende zo enige tijd bij de infanterie alsook bij de infanterie alsook bij de [Feldschern = militaire genezers. Mooi Nederlands woord daarvoor?]
Im 18 Hal, Bomil draagt intussen de rang van een hoofdman, sneuvelde zijn moeder in de strijd tegen de aanhangers van de ursupator Answin von Rabenmund.
Darop keerde hij het leger de rug toe om zich geheel te wijden aan het bestuur en beheef van de goederen van zijn familie.
De jonker ist slechts 85½ Finger groot en heeft eerder een slanke, pezige lichaamsbouw. Zijn zwarte haar vertoont intussen reeds enkele grijze strengen en is heel kort geknipt. Het hoekige gezicht is steeds glad geschoren. De ogen van Bomil zijn eveneens zwart en door een stille waakzaamheid getekend.
Meestal lijkt de heer van Kleinaus koel, rustig en gesloten. Als hij echter wordt beledigd verliest hij snel de zelfbeheersing.
Zijn vertrouwen in zich en zijn vaardigheden ist groot. Zo groot zelfs, dat zijn gedrag vaak aan ongebreidelde arrogantie grenst.
Dit uit zich vooral dan, als hij zich de meerdere voelt tegenover zijn gesprekspartner. Bij zulke gelegenheden is er dan ook vaak een spottende glimlach op zijn lippen te zien.
Tegenover mooie dames van standing pleeft de jonker echter een grote hoffelijkheid en takt te tonen. Menigeen zou zlefs zeggen dat hij tot overdreven vlijerij neigt.
Bomil ziet zich als patriot en is trouw aan het Keizerrijk. Dit patriotisme gaat gepaard met een opvallende afkeur tegenover Horasië. Ondanks het vredesverdrag ziet hij de Liefvelders er zeker toe in staat, dat ze de bedreiging van het Nieuwe Rijk door de Zwarte Landen voor hun eigen doelen zullen proberen uit te buiten.
Hij leidt Kleinau met harde hand, zodat de jonker weliswaar gevreesd wordt door de Kleinause burgers, maar zeker niet geliefd, wat hem wederom helemaal niet kan schelen.
Een bepaalde mate aan handigheid en omzichtigheid kan men aan hem echter niet ontkennen. Zijn uitstekende mensenkennis helpt hem zijn eigen doelen –die voor hem gelijk staan aan de interesses van Kleinau– te verwezenlijken. De herhaaldelijke „inmenging“ van de baron te Zuidhag in de aangelegenheden van Kleinau stoort hem steeds vaker.
Eén van Bomils passies is het geluksspel en er zijn er niet veel die het tegen hem kunnen opnemen op het vlak van kaart- en dobbelspelen. Zijn geluk duurt werkelijk verdacht lang, maar men kan beter geen valsspel van zijn kant insinueren.
Sinds zijn geliefde gade Linai op het kraambed van hun vijfde kind stierf, enkele jaren geleden, neigt de jonker regelmatig tot melancholie en wispelturigheid.
Kort na deze zware slag kreeg Bomil ruzie met zijn enige zoon Irian, om geheel onbekende redenen, zodat deze het ouderlijke huis verliet.
De trots van beiden verhinderen van Irian‘s terugkeer voorlopig en dus zal Bomils dochter Jadwina ooit de leiding van het Kleinause domein voor haar rekening nemen.
Gebruik in het spel:
Jonker Bomil is uitstekend geschikt als ondoorzichtige opdrachtgever. Men weet nooit waar zijn ware interesses liggen. Wie weet worden de helden zelfs onbewust in een intrige tegen de baron van Zuidhag. Misschien moet er zelfs informatie uit het Horasrijk worden bezorgd.
Als hoofdtegenstander van de helden is hij daarentegen minder geschikt, daar hij weliswaar over het algemeen geen scrupules kent, maar toch (nog) voor „echte misdaden“ als moord of landsverraad terugdeinst. Van „cavaliersdelikten“ als smaad, afpersing, valsheid in geschrifte en dergelijke is hij echter niet vies, als ze dienlijke zijn voor zijn zaak.
Bovendien is de jonker één van die ontnuchterde strijders, die hun hoogdravende idealen vaarwel hebben gezegd en bij voorbeeld in een strijd tegen een andere strijder zonder meer het paard zou durven aanvallen.
Jadwina te Kleinau, oudste dochter van de jonker
Jadwina is een pas en 35 vingers groot. Ze is slank en knaapachtig gebouwd. Desondanks zou menige man haar als aantrekkelijk beschouwen.
Haar gekrulde zwarte haar draagt ze los en schouderlang. Ze is buitengewoon ernstig en haar ijsgrijze ogen wijzen op een zekere melancholie. Haar trekken zijn die van haar vader, maar ook bewegingen en gebaren heeft ze van hem.
Jadwina heeft het levenslicht gezien anno 9 Hal. Met veertien begon ze aan het noviciaat voor het priesterschap van Travia. Toen ze 25 was moest ze echter haar studies afbreken toen haar oudere broer onterfd werd en dus haar plichten als toekomstige jonkvrouwe moest overnemen.
Zij had nooit verwacht dat ze ooit het landgoed zou moeten beheren en is er dan ook niet werkelijk gerust in. Ze weet immer, dat ze nog niet over voldoende doorzettingsvermogen beschikt.
Hoewel ze onder de druk van haar vader de opleiding tot gewijde moest onderbreken, is ze hem tegenover volledig loyaal.
De kloof tussen vader en zoon kan ze echter geheel niet begrijpen. Ze koestert dan ook helemaal geen wrok tegenover haar broer.
Gebruik in het spel:
Jadwina is –zoals destijds haar moeder– het geweten van haar vader. Dat deze geen heilige is, weet ze zeer zeker en toch blijft ze zijn trouwe dochter.
De helden zouden Jadwina als een open en vriendelijke, maar desondanks van haar standing bewuste adelijke leren kennen.
Als er een confrontatie met haar vader dreigt, kan ze bemiddelend ingrijpen en quasi als joker handelen.
Best is dat liever de sympathieke jonge dame als opdrachtgever geldt, dan de arrogante jonker. Dit betekent echter niet meteen, dat deze niet achter de schermen de touwtjes in handen houdt.
Radulf te Kleinau, oom van de jonker en Traviagewijde van Kleinau
De magere gewijde van een pas en veertig vingers lengte heeft al bijna 70 Godenlopen achter de rug, waarvan meer dan 50 in dienst van de Godin van het Haardvuur. In het getaande gezicht van Radulf glimmen waarzame, staalgrijze ogen onder krachtige wenkbrauwen. Een peperkleurige baard bedekt wangen en kin. Zijn haar is enkel nog een smalle krans rond het achterhoofd. De bloedloze lippen van de onverschrokken grijsaard vertonen slechts zelden een glimlach.
Vader Radulf komt geheel niet overeen met de steeds vriendelijke, medelevende Traviapriester. Hij houdt zijn gelovigen met ongewone strengheid aan de goddelijke geboden en eist strikte opvolging van de tradities. Desondanks helpt hij overal daar waar zijn hulp werkelijk nodig is en hij wordt door alle Kleinauers geacht en gerespecteerd.
Zijn trouw geldt, naast de kerk, vooral voor zijn familie. Dat de volgende gewijde vermoedelijk niet uit het Kleinause huis afkomstig zal zijn vermits Jadwina haar noviciaat moest afbreken en geen enkel ander kind Travia’s weg heeft gekozen, baart hem zorgen.
Radulf houdt zich intensief bezig met het verleden van Kleinau en de rest van het markgraafschap –in deze volgorde. Jammer genoeg is hij vanwege zijn hoge leeftijd niet in staat, onderzoek te plegen in andere delen van Windhag, de Noordmarken of zelfs in het Lieflijke Veld.
gebruik in het spel:
Vader Radulf zou moeten worden voorgesteld als een fanatieke banstraler die echter toevallig Travia dient en niet Praios.
Hij is kleingeestig, authoritair en zelfvoldaan.
Vermits de gewijde echter een enorme kennis over de Windhagse geschiedenis heeft verzameld, is hij de bron bij uitstek voor vergeten feiten.
Of hij deze kennis echter ook overdraagt aan een stelletje ongeregeld is een ander paar mouwen. Vooral dan, als er exotischere karakters tussen de helden te vinden zijn, zoals bij voorbeeld heksen...



