Vervolg v/h verhaal

Een intern bericht sturen
Aan:
CC:
Onderwerp
Bericht
vet - cursief - onderlijnd - titel - link tekst - alinea - voorbeeld
Reageren op dit item
Titel
Reactie
vet - cursief - onderlijnd - titel - link tekst - alinea - voorbeeld
  Gebruik mijn ondertekening
17-12-2004, 11u13, door Kelticmyst
Het vervolg....................


5




Kira liep door de woestijn, ze kende die als haar achterzak, ze was er immers opgegroeid. Kira hoorde bij het woestijnvolk, haar voorouders leefden al eeuwen in de woestijn en wisten beter dan wie ook hoe je er kon overleven. Kira hoorde bij de hoogste van de vier klassen in haar clan, Kira was een Ark, een krijger. Toch was ze uitgestoten, waarom wist ze niet. Op een dag was ze aan het jagen in de woestijn, de zonbokken lieten zich niet vangen die dag en ze hield het al gauw voor gezien. Ze zocht een Boaplant op en boorde er met haar speciaal ontworpen boor een gat in, ze had erge dorst en merkte het gat dat al in de plant zat niet op. Na ongeveer 2 centimeter voelde ze dat ze door de stam heen geboord had en haalde ze haar boor terug. Ze hield haar beker onder het gat om het water dat eruit liep op te vangen. Ze stopte het gat dicht met een prop van de bladeren van de plant. Ze rook aan het water maar merkte er niets vreemds aan. Ze dronk de beker leeg en ging terug naar haar woonplaats. Ongeveer halverwege de tocht door de bloedhete woestijn kreeg ze een stekende hoofdpijn en viel ze bijna flauw, ze bleef nog lang genoeg wakker om een duistere gestalte over haar heen te zien buigen.


Toen ze wakker werd stond ze met een bebloed zwaard naast het lijk van haar man alhoewel ze hem niet herkende als haar man, ze wist niks meer, haar naam niet, ze wist niet waar ze was. Ze herkende de man die haar vastbond niet en de mensen die haar veroordeelden niet, ze wist alleen dat ze onder de invloed was geweest van een slecht persoon en toen de clanrechter haar de hoogste straf die er was oplegde, namelijk verbanning zwoer ze wraak te nemen op de persoon die haar betoverd had. Ze mocht van de jury vijf dingen meenemen in verbanning, ze koos voor haar zwaard, ze wist niet meer waarom maar ze voelde dat het van grote waarde zou zijn, verder koos ze een grote waterzak, haar woestijnuitrusting, haar boog en pijlen en een amulet van glas met daarin een kleien beeltenis van Qarius, de god van vuur, zon en woestijn.


Toen ze buiten zicht van het dorp was dook er een man naast haar op, hij stelde zich voor als haar broer Kori. Hij duwde haar een beschreven rol perkament in haar hand en nam weer afscheid van haar, hij zwaaide nog eenmaal en verdween toen achter een grote zandduin.


Daar liep ze dus, alleen in de woestijn, ze had nog driehonderd kilometer te gaan voordat ze de rand van de woestijn bereikte en haar water begon op te raken. Gelukkig waren ook in dit deel van de woestijn genoeg boa planten om haar van water te voorzien. Ze schrok van het feit dat ze wist dat ze water kon halen uit de boa planten, dit wist ze dus nog wel, en de route die ze nam was er ook een die ze herinnerde. “Vreemd.” Dacht ze. En ze speurde haar gedachten door naar dingen die ze nog wel herinnerde, dat was niet veel maar het waren de basis overlevingsmethoden om te overleven in de woestijn. “Expres.” Dacht ze. “Ik denk het niet, als hij mij iemand heeft laten vermoorden denk ik niet dat hij goedaardig genoeg is om mij te laten overleven, Wie of wat het ook was, ik denk dat hij een foutje heeft gemaakt.”


Zo nadenkend liep ze door, ze liet zich de weg wijzen door haar voeten. “Roq!”dacht ze opeens. “Op Roq kunnen ze mijn geheugen terugbrengen.”Ze schrok van de gedachte. “Hoe kan ik me Roq herinneren? Het lijkt wel alsof er van buitenaf dingen worden vrijgemaakt in mijn geheugen.” Ze wist ook de weg naar Zabeth weer, een kleine havenstad vanwaar misschien een boot naar Roq voer. Na nog twee dagen lopen kwam Kira aan in Zabeth, ze wist waar de haven was en ging op zoek naar een boot die haar naar Roq kon brengen. Meteen de eerste boot die ze probeerde ging naar Roq Ze bekeek de boot kritisch, hij zag er goed onderhouden en stevig uit. Zijn naam was: De zeevlam.


Toen Kira aan boord was voer de boot meteen weg. “Bijna alsof ze op me hebben staan wachten.” Dacht Kira. “En er is ook maar één andere passagier aan boord.” Ze zette deze gedachten van zich af en nam haar medepassagier goed in zich op. Ze zag een lange man met stekelig haar en diepgroene ogen die een grote kennis weerspiegelden, hij droeg een lange jas met runen die Kira niet kende. “Of die ik vergeten ben door die vervloekte betovering.” Dacht ze.


De boot was op volle zee en Kira keek naar de golven, ze had nog nooit zoiets gezien, niet dat ze zich kon herinneren in ieder geval. Plotseling klonk een stem achter haar. “Mis je de woestijn Kira?” Kira draaide zich om en zag haar medepassagier staan. “ Wie ben je en hoe weet jij mijn naam?” Vroeg ze. “Ik ben Rahl van Roq, en ik weet nog veel meer van jou.” Zei de man. Kira werd kwaad, ze trok haar zwaard en hield het dreigend voor zich. “Speel geen spelletjes tovenaar.” Siste ze. “Hoe weet jij wie ik ben?” “Ik ben hier om je te helpen, niet om je kwaad te doen.” Zei Rahl alleen maar. “De zeevlam is één van de boten uit de vloot van Roq, we hebben op je gewacht.” Kira liet haar zwaard zakken, het was onmogelijk een tovenaar te verslaan op zijn eigen terrein. “Een wijs besluit.” Zei Rahl. “Volg me.” Hij liep van haar weg en begon de trap die onderdeks voerde af te lopen. “Ik heb een interessant voorstel voor je.” Zei hij en hij liep de trap af. “Ik heb zeker niet veel keus.” Dacht ze. “Nee.” Hoorde ze Rahls stem in haar hoofd. Ze zuchtte en liep de trap af. Onderaan stond Rahl op haar te wachten, hij hield een deur voor haar open, achter die deur was een kamer met daarin een tafel twee stoelen en wat te eten en drinken. “Ga zitten.” Nodigde hij uit.


Toen ze zat begon Rahl aan zijn verhaal, hij vertelde over het oude boek dat hij had gevonden en wat hij daarin had ontdekt over de eeuwige cyclus van de kwade. Hij vertelde over de reis die zij en een groep mensen zouden moeten maken om de kwade te stoppen. In ruil daarvoor zou hij haar geheugen terugbrengen en haar een kans op wraak geven. Dit aanbod klonk Kira als muziek in de oren en ze stemde dan ook meteen in. “Mooi, dan zijn we compleet.” Zei rahl. “Over enkele dagen arriveren we in Roq en zul je de anderen ontmoeten, iedereen is er al, op Rastoth en Ralss na dan.” Hij glimlachte en liep naar de deur. “Oh ja, ik heb je geheugen teruggebracht.” Zei hij nog en toen was hij weg.


Die nacht sliep Kira slecht, ze was blij dat ze haar geheugen terug had maar minder blij dat ze zich nu ook herinnerde wie ze vermoord had toen ze onder trance verkeerde. Dit wakkerde haar wraaklust alleen nog maar verder aan en ze probeerde zich uit alle macht te herinneren wie degene was die haar betoverd had, maar ze kon zich niemand herinneren, alleen een donkere schaduw. Ze besloot om het de volgende dag aan Rahl te vragen, hij was een magiër, misschien wist hij wie het was. Met die gedachte viel ze in slaap.


De volgende dag ging ze meteen op zoek naar Rahl, ze vond hem uiteindelijk op de boegspriet, hij stond daar onbeweeglijk met gesloten ogen, toen Kira hem wou roepen hield de kapitein haar tegen. “Niet roepen, het zou zijn concentratie kunnen verbreken. Hij praat met zijn leerling nu, het is erg belangrijk dat je dat niet onderbreekt.” Kira zag dat er niks anders op zat dan te wachten en ging ontbijten. Na een tijdje kwam Rahl bij haar zitten, hij had haar vraag al aangevoeld en zei alleen maar dat het een anolisius was die haar betoverd had, meer wou hij niet kwijt.


Na nog een paar dagen zeilen kwam de zeevlam aan bij de stormfocus, de kapitein probeerde Kira dezelfde verhaaltjes op de mouw te spelden als hij gedaan had bij Zaroth en zagoth. Kira`s stam was erg gevoelig waar het geesten betrof en ze verstopte zich bijna een halve dag in het ruim voor Rahl haar vond en haar vertelde dat het allemaal een grap was. Van die dag was Kira vastberaden zich niet nog eens bang te laten maken door wat dan ook, en toen ze door het malende messenrif voeren bleef Kira aan dek om te laten zien dat ze niet bang was voor wat zij “gewoon wat steentjes.”noemde.


Na het messenrif duurde het nog een tijdje voor ze Roq bereikten. In die tijd sliep Kira slecht, ze wist dat anolisius in de vochtige, dampige moerassen woonden, wat moest er dan zo belangrijk zijn dat er een helemaal de woestijn in was gekomen om haar te betoveren, was de man die ze had gedood zo belangrijk voor hen? Ze bleef piekeren over die vragen, deze nacht en de nachten die volgden, ze weigerde de slaapkruiden die Rahl haar aanbood en zelfs rustgevende thee wou ze niet drinken, ze miste het vaste land en hoopte dat er snel een eind aan deze tocht kwam,


er was aan boord sowieso niet zoveel te doen, Kira bracht het grootste deel van haar tijd door met het slijpen en repareren van haar wapens en het uitvragen van de bemanning.


Na nog eens twee dagen op zee meldde de kapitein dat Roq in zicht kwam.


Kira griste de kijker uit de handen van de eerste stuurman en keek naar het eiland dat ze langzaam naderden, wat ze zag was heel anders dan ze gewend was, er was geen woestijn, maar wel een groot woud, en aan de bomen te zien moest er een gematigd klimaat zijn. “Vind je het wat?” klonk plotseling Rahl achter haar. Kira schrok zich te pletter, ze was zich er niet van bewust geweest dat Rahl achter haar stond. “Sorry.” Zei Rahl. “Wat vind je ervan?”


“Het is, anders dan de woestijn die ik gewend ben.” Zei Kira alleen maar en ze keek verder. Ze zag huizen en andere gebouwen staan, en toen ze naderden kon ze mensen en dieren onderscheiden, en op de kade zag ze het welkomstcomité. Ze zag een boel plechtig uitziende magiërs en zes mensen die duidelijk geen magiërs waren. “Je reisgenoten.” Antwoordde Rahl op de onuitgesproken vraag. “Exclusief mijn leerling, Rastoth en Ralss natuurlijk.”


Kira bekeek de zes kritisch door de verrekijker. “En u verwacht dat dit zooitje ongeregeld de wereld redt van de kwade?” Vroeg ze verbaasd. “Ik verwacht helemaal niks, ik weet alleen dat als niet iedereen gaat de kwade zeker niet verslagen word.” “Dat klink niet echt geruststellend.” Zei Kira kwaad. Rahl glimlachte alleen maar en trok zich terug in zijn kamer om zijn spullen te pakken, Kira deed hetzelfde.


Na nog een half uurtje bereikte de zeevlam haar eindbestemming, de trossen werden uitgegooid en de loopplank uitgelegd, Rahl liep als eerste naar beneden, iedereen schudde hem de hand en vroeg of hij haar gevonden had, Rahl zei niks en wees alleen naar Kira die op dat moment over de loopplank naar beneden liep.


Iedereen stelde zich voor, en om de een of andere reden voelde Kira zich gelijk op haar gemak tussen deze mensen, de magiërs waren niet zo vreemd als ze zich kleedden en de mensen waar ze mee op reis zou gaan zagen er erg aardig uit, ze mocht vooral de twee dwergen erg graag.


“Nu we er bijna allemaal zijn, wil ik jullie voorstellen aan mijn leerling, de ene, jullie zullen hem bijstaan op zijn reis naar de eeuwige verblijfplaats van de kwade waar hij hem weer in slaap zal brengen.” Riep Rahl. Iedereen keek om, ook Kira, wat ze zag was een beetje teleurstellend, ze had een grote indrukwekkende man verwacht, maar dit was nog maar een kind, zestien of zeventien schatte ze, en erg sterk zag hij er ook niet uit.


Kortaq stond er een beetje verlegen bij terwijl hij werd voorgesteld aan de dwergenbroeders Zaroth en Zagoth, de huurlingen Joric, Inqar en Kamuhri en uiteindelijk aan Kira, ze schudden hem allemaal de hand en keken hem vriendelijk aan. Kortaq begon te spreken, hij had een vaste stem en klonk niet half zo zenuwachtig als hij eruit zag. Hij bedankte iedereen voor het komen en legde uit dat Rastoth en Ralss wat later kwamen. Iedereen luisterde aandachtig naar wat hij te zeggen had en was benieuwd naar Rastoth en Ralss die niemand nog gezien had. Kira keek het gezelschap nogmaals rond, ze bedacht dat dit gezelschap toch best op moest vallen, normaal hielden de Shade en de Cephalids zich niet op met mensen, en dwergen kwamen bijna nooit buiten hun steden diep in de bergen, toch waren die drie volkeren hier vertegenwoordigd, het zou wel eens onveilig kunnen zijn om zo op te vallen, de dorpen waar ze doorheen zouden trekken zouden nog dagen nagalmen van de geruchten, ze zouden een makkelijk doelwit vormen voor spionnen of verspieders.


Rahl ving haar gedachten op en realiseerde dat ze gelijk had, toch was dit het voorspelde gezelschap, zij waren het die een kans maakten om de kwade weer in te laten slapen, hoe opvallend ze ook waren.


“Maar er staat nergens dat ze niet een beetje geholpen mogen worden.” Bedacht Rahl zich, en er begon zich een plan te vormen in zijn hoofd. Hij trok zich onopvallend terug uit het gezelschap en liep naar zijn kamer. Kira was de enige die hem zag gaan, maar ze was nu al zo gewend aan de vreemde buien van de magiërs dat ze er niet veel aandacht aan besteedde.


































































6





Rastoth voelde dat hij het einde van zijn reis naderde, hij was nu al twee maanden onderweg, de laatst twee weken vergezeld door Ralss. Ze waren ongeschonden door het territorium van de Panthera gekomen en ze naderden nu de zee. Ralss kende dit deel van het bos niet omdat niemand van haar volk tegenwoordig nog door het Panthera domein trok. Rastotj kende dit deel van het woud ook niet, op zijn reis naar het zuiden was hij over de Amrik pas gegaan die toen nog niet dichtgesneeuwd was. Toch wist Rastoth waar ze heen moesten, zijn instinct vertelde hem altijd haarfijn waar het noorden was, en daar moesten ze heen, Rastoth wist ook wat de eindbestemming van hun reis was. Ze moesten naar Roq, gister was zijn oude vriend Rahl verschenen, Rastoth was toen eindelijk in het bereik van Rahl`s bereik gekomen.


Rahl had hem verteld waar ze heen moesten en dat het van levensbelang was dat Ralss ook meekwam. Ralss stemde in, ze had anders toch niks beters te doen, tenminste, dat zei ze.


Dus liepen Rastoth en Ralss door. Rahl had voor hen een boot geregeld die aan de kust klaar zou liggen, maar hun timing luisterde nogal nauw omdat de kapitein niet lang aan deze van demonen vergeven kust aangemeerd wou liggen, Rahl zei dat ze binnen twee dagen op de afgesproken plek moesten zijn. Rastoth had er een paar dierenverkenners op uitgestuurd en die vertelden hem dat hij dat makkelijk zou kunnen halen. Één van de verkenners was echter niet teruggekeerd, en dit baarde Rastoth zorgen, hij wist dat het vogeltje niet aan zijn ban had kunnen ontkomen. Hij had het vogeltje aangevoeld terwijl hij richting zee vloog, totdat zijn bestaan opeens ophield, geen doodskreet, geen paniek, opeens was het signaal gewoon weg, dit moest iets onnatuurlijks zijn.


Rastoth besloot Ralss hier niks van te vertellen, hij onderschatte haar echter door te denken dat Ralss niks door zou hebben.


Na een uurtje lopen begon Ralss zich ongemakkelijk te voelen, er was iets dat hen in de gaten hield, en het was zeer zeker niets goeds. Ze keek onzeker naar Rastoth maar die keek ergens anders naar, ze volgde zijn blik en toen zag zij het ook. Er zat een enorme Tor`q demon op van boven op een rots naar hen te loeren. “Dus hij heeft mijn verkenner gedood.” Mompelde Rastoth. “Je wist dat hij hier was?” vroeg Ralss verbaasd. “En toch heb je ons hierheen geleid?” “Ik wist niet dat hij hier was, ik wist alleen dat er hier iets was.” Antwoordde Rastoth.


De Tor`q brulde en sprong van zijn rots, hij stond nu op honderd meter afstand en bekeek de twee schattend, hij lachte in zichzelf, deze twee menswezens zouden een leuk speeltje zijn vanavond. Hij tekende een cirkel in de grond en ging daar middenin staan.


Rastoth trok op zijn gemak zijn zwaard en voegde versmolt zijn aarde rune ermee, de demon zou niet uit zijn cirkel komen, hij wist dat Rastoth en Ralss zijn uitdaging accepteerden. Ondertussen had Ralss haar korte zwaard getrokken en begon een wolvenlied te zingen, meteen begon het zwaard felblauw op te gloeien, en Rastoth voelde dat dit krachtige magie was.


Hij bekeek de demon en zag dat die lui middenin de cirkel was gaan zitten. “Hij onderschat ons, dat is heel mooi.” Zei Rastoth stil. “Maar het zal niettemin een zwaar gevecht worden.”


Ralss knikte alleen maar en ze liepen samen de cirkel in. De demon kwam overeind en bolde al zijn spieren, meteen groeiden er lange scherpe nagels uit zijn vingers en op elke knie en elleboog een scherpe stekel, zijn ogen lichtten kwaadaardig op. Ralss tekende een scherpe rune in de grond en begon te zingen, Rastoth liet een vuurbal groeien in zijn hand. Even stonden ze zo, tegenover elkaar, elkaar in de ogen kijkend, even wist iedereen war iedereen dacht, toen sprong de demon op hen af. Hij maakte zich in de lucht op om aan te vallen.




Maar met zijn giftige nagels centimeters voor het gezicht van Ralss werd hij teruggeworpen door de gecombineerde kracht van Rastoth`s vuurbal en een enorm rotsblok dat uit de grond schoot op de plek waar Ralss haar rune had getekend. De Tor`q werd meer dan tien meter achteruit geworpen en landde onzacht op een rots, enigszins versuft stond hij weer op, zo`n actie had hij niet voorzien. “Dit gaat moeilijker worden dan ik had verwacht.” Dacht hij. Maar toch maakte hij zich op voor een nieuwe aanval. Rastoth had ondertussen overal om hem en Ralss heen kleine vuurtjes aangestoken, en Ralls had een nieuwe rune in de grond getekend, en was aan een nieuw wolvenlied begonnen, deze klonk een stuk agressiever en opzwepender dan de vorige, en de Tor`q wist dat hij op zijn hoede moest zijn, met wolvenmagie viel niet te spotten. Hij zette opnieuw de aanval in, deze keer voorzichtiger, maar niet minder dodelijk. Hij sprong in de richting van Rastoth, deze keer met de bedoeling hem omver te werpen. Maar ook deze keer werd zijn aanval afgeslagen, uit de kleine vuurtjes die Rastoth had voorbereid spoten opeens enorme fonteinen van vloeibaar vuur dat de Tor`q brandde toen hij het aanraakte. De Tor`q trok zich een stukje terug en het vuur verdween even snel als het gekomen was.


De Tor`q sprong weer op Rastoth af en sloeg hem met zijn staart van zijn voeten, Rastoth viel achteruit en de Tor`q maakte zich op om er bovenop te springen. Hij was Ralss helemaal vergeten, hij dacht alleen nog maar aan het doden van Rastoth, en dat was zijn grootste fout. Op de plek waar Ralss rune stond had ondertussen een scherp stuk ijs vorm aangenomen en toen Ralss de laatste woorden van haar wolvenlied uitsprak schoot het in de richting van de Tor`q, deze was totaal verrast door het stuk ijs en werd door de klap van zijn klauwen afgeslagen, toen het ijs de Tor`q raakte versplinterde het in duizenden scherpe kleine stukken ijs die diep in de huid van de demon doordrongen, deze jankte van pijn en probeerde de stukken te ontwijken. Maar dat had geen zin. De demon vluchtte weg, een spoor van ranzig ruikend bloed achterlatend. Maar het had geen zin, Rastoth was inmiddels weer opgestaan en versperde het beest de weg. Met een houw van zijn zwaard sloeg hij een van de voorpoten van de Tor`q er af. Ralss trok ook haar zwaard en stak het diep in de zijde van de Tor`q, krijsend stortte hij neer, zwart bloed spoot uit de gapende wonden in zijn zij en waar ooit zijn poot zat. Rillend en stuiptrekkend van pijn bleef hij liggen, tot Rastoth het karwei afmaakte en zijn hoofd eraf sloeg. Rastoth en Ralss veegden hun zwaarden schoon aan de schaamlap die de demon droeg en keken of deze nog iets bruikbaars bij had, ze vonden niet veel, alleen wat zilverstukken. Rastoth nam ook de nagels, hoektanden en hoorns van de demon, deze onderdelen bezaten een grote magische kracht. Ralss stond met een vies gezicht toe te kijken hoe Rastoth de tanden uit de gapende muil van de dode Tor`q wrikte.


De twee vervolgden hun tocht zonder verdere problemen, de boot was waar hij moest zijn, en de tocht naar Roq verliep ook soepel. Eenmaal op Roq werden de twee hartelijk verwelkomd door Rahl de hoogmysters en de reisgenoten.




In de diepten van het Algameer roerde zich iets, een boot voer over het meer naar een stad aan de overzijde, op de boot waren Parkin en zijn vader, ze hadden de ze tocht al vaker gemaakt, en waren beide goede zeilers. De tocht verliep langzaam, er was bijna geen wind. Toch rimpelde het water, Parkin stond er verbaasd naar te kijken, zoiets had hij nog niet eerder meegemaakt, Parkin`s vader merkte nu ook dat er iets mis was, de vogels waren opeens stil geworden, er was geen levend wezen te zien. Beiden keken naar het water, een donkere vorm werd zichtbaar, er kwam iets met een enorme snelheid naar boven, het water begon nu echt ruw te worden, grote golven tilden het scheepje op en smeten het ruw heen en weer. De vorm in het water begon nu vorm aan te nemen, en toen het vlak onder het oppervlak was zagen ze het, met een enorme golf brak het beest door de oppervlakte, de boot sloeg bijna om, Parkin en zijn vader keken naar het enorme geschubde reptiel dat uit het meer was opgedoken. Het keek achterdochtig naar de boot maar besefte dat dit geen gevaar voor hem was,


hij sloeg zijn enorme leerachtige vleugels uit en zette zich af, de enorme lucht verplaatsing duwde het schip van Parkin en zijn vader onder water, water stroomde de longen van Parkin binnen, hij probeerde nog paniekerig naar boven te zwemmen maar het zinkende schip zoog hem naar onder, het laatste wat Parkin zag was de zon die hoog boven het meer stond.


In het dorp waar Parkin en zijn vader heen zouden zeilen wachtten hun familie en vrienden nog dagenlang vruchteloos op Parkin en zijn vader.




De anolisius roerden zich in het moeras nabij Tochtbar, de mensen in de zwaar versterkte stad waren angstig en de wacht op de metersdikke muren was verdubbelt, de verhouding met de anolisius was nooit vriendelijk geweest, maar nu begon het ergere vormen aan te nemen, de hagedissen hadden al drie mensen ontvoerd en ze net buiten schootsbereik voor het oog van alle mensen in de stad doodgemarteld. Zelfs de meest geharde soldaten van Tochtbar hadden het niet kunnen aanzien.


De bewoners durfden de stad niet meer uit, in het moeras om de stad stikte het van de anolisiuskrijgers en magiërs, maar toch moest er hulp gehaald worden, de steden inde buurt moesten gealarmeerd worden en het voedsel en drinkwater in de stad moest bijgevuld worden. Er moest een boodschapper gestuurd worden, maar niemand durfde. Na een overleg van de stadsmeesters werd besloten iemand op pad te sturen, of hij nou wilde of niet, die persoon werd Marko.


Marko zou van zijn leven de stad niet zijn uitgegaan, maar nu werd hij gedwongen, met een brief en genoeg voedsel om het een week uit te houden werd hij de poort uitgezet. Wetend dat er niks anders opzat begon hij te richting de dichtstbijzijnde stad te lopen. Het zou maar een halve da lopen zijn, hij verwachte niet te veel gevaar. Hij was echter nog geen twee kilometer van de stad verwijderd toen hij oog in oog stond met de grootste dorg die hij ooit had gezien. Het beest sprong op hem en een alles verscheurende pijn schoot door zijn ledematen toen de dorg haar tanden zette in zijn onderbuik, en hij zag hoe hij levend opgegeten werd.


De stedelingen bleven nog enkele dagen wachten op versterkingen alvorens een nieuwe boodschapper uit te sturen.



















Reacties

door Kelticmyst
draak, 227 / 1142
gepost: 27-12-2004
om 22u39
Re: Vervolg v/h verhaal
ik vind dit zelf het meest geslaagde deel tot nu toe, wat vinden jullie??????




alle kritiek, positieve of negatieve is welkom.




disturbingly yours
Kelticmyst

naar boven