In het begin der tijden was er Entropos, de Chaosgod.
Hij was alles en kende geen gelijke. Voorbij zijn grenzen lag het Grote Niets. Millennia lang zweefde hij door de leegte opzoek naar gezelschap. Maar omdat hij Alles was en er verder niets restte was zijn queeste op voorhand gedoemd te mislukken. Na een onnoemelijk lange periode van onverdroten zoeken werd Entropos wanhopig. Zijn eenzaamheid dreef de Opper-god langzaam tot waanzin.
Binnen in hem rijpte het plan om er een eind aan te maken. Tijdens het uur Nul zoals de Alud-rianen het later gingen noemen, trachtte Entropos zichzelf te vernietigen. Een enorme explosie was het gevolg, een eruptie van kracht zo alomvattend dat het de uithoeken van het universum tot op vandaag nog doet zinderen.
Die dag werden Vasha en Malek geboren, Goed en Kwaad.
Sterren ontbranden en planeten schoten door het schier oneindige hemelzwerk. Deze oerbe-weging ging duizenden jaren door en vulden geleidelijk het Grote Niets met energie en he-mellichamen.
Entropos stierf echter niet. Vervloekt met de onsterfelijkheid was zijn eigen dood het enige dat hij niet kon bewerkstelligen. In het middelpunt van de ontploffing groeide hij reeds op-nieuw in de vorm van een onooglijk zaadje. Door de essentie van de Chaosgod aangetrokken kwam Vasha dichterbij. Zij werd vervuld van medelijden toen ze zag wat er van haar vader restte. De prachtige stralende vrouw nam het zaadje in haar handpalm en speurde de onein-digheid af. Toen bleef haar blik rusten op een dorre planeet in de nabijheid van de ster die later de naam Eos zou krijgen. Ze daalde neder op het planeet, haar gestalte aanpassende aan de in vergelijking nietige wereld. Ze maakte een putje in de grond en plantte daar voorzichtig het zaadje waarna ze het toedekte met aarde.
Eeuwen gingen voorbij maar het zaadje wou maar niet ontkiemen.
Vasha plengde bittere tranen.
‘Ik heb gefaald, lieve vader…’snikte ze
Haar oogvocht overspoelde de woestenij en een miraculeuze verandering vond plaats. Steen en rots sidderden als zeeën van magische tranen de planeet overspoelden. Op de bodem van de kersverse meren en oceanen vormde zich vruchtbaar slib.
Vasha, vervuld met hernieuwde hoop, blies. Zo verspreidde ze de kostbare levensbarende modder tot ver over de oevers. Groen ontsproot gestaag aan de verrijkte bodem. Verzadigd met Vasha’s kracht ontstonden er planten en dieren op de eens zo kille planeet.
En ook het zaadje ontwikkelde zich, eerst tot een tenger twijgje dan tot een beloftevolle scheut en de volgende millennia tot een majestueuze boom wier kruin de wereld omvatte en beschermde tegen de ongenadige stralen van Eos. De Levensboom werd hij later gedoopt gaf geboorte aan schepsels die het voorzag van bescherming en zuurstof.
Terwijl dit wonder zich voltrok zweefde Malek, Vasha’s kwade broer, door de ruimte, vastbe-sloten al het kersverse leven te vernietigen.
Toen Entropos zichzelf ongewild opsplitste tijdens de Grote Explosie, scheidde hij zijn goede en kwade kant van elkaar.
Ongetemperd door mededogen speurde de monsterachtige gespierde man de ruimte af naar een geschikt wapen. Toen hij dit niet vond, besloot hij er zelf één te smeden. Hij nam een gro-te planeet en een ster en fuseerde deze met elkaar tot gesmolten magma. Daarmee schepte hij een enorme hamer. Deze zou later de Malleus Malebolgia gedoopt worden, oftewel de Dui-velshamer. Hiermee zou de drager instaat zijn werelden te vernietigen en de goden zelf te doden.
Malek haastte zich met deze dodelijke aanwinst op weg naar zijn zuster.
Vervuld van angst plaatste Vasha zich tussen Malek en haar geliefkoosde planeet.
‘Wat zint u, broer, ziet af van uw waanzin. Onze vader heeft zijn leven gegeven voor ons. Als ge de planeet vernietigd raakt ge ook hem.’smeekte Vasha
‘Staakt uw smeekbede, zuster. Ik zal deze misselijkmakende creatie vernietigen al moet ik u daarbij opofferen. Als Malek wil heersen moet al de rest sterven.’ gromde het opperwezen terwijl het zijn hamer hief om een fatale klap uit te delen
In een laatste wanhoopsdaad om Malek’s aanval af te weren groeide veranderde Vasha zich in een beschermende deken die zich rond de prille planeet wikkelde. Dit gebeurde in een oog-verblindende flits die Malek raakte. De god schreeuwde het uit van pijn. Hij greep naar zijn verbrande ogen. Hierdoor loste hij de greep op zijn hamer die naar beneden tuimelde en be-gon te krimpen. Het onheilige wapen stortte neer op de planeet waar het een diepe krater schiep. Daar begon het zijn kwade invloed te verspreiden, uitdijend als een inktvlek veroor-zaakten de ontketende duistere machten aardbevingen en orkanen die de eens zo vredevolle planeet geselden. Levende wezens (later de Boresh genoemd of te wel de Besmetten) werden getransformeerd in op bloedbeluste monsters. Vulkanen verminkten de groene vlakten en bergketens werden gevormd.
‘Wat heb je losgelaten op de wereld, broer?’snikte Vasha
Malek stootte een boosaardig gelach uit.
‘Dwaas wicht, al wat jij hebt geschapen kan ik ongedaan maken! Jouw perfecte wereld is niet meer. Nu heerst het kwaad er, en daar kan je niets aan doen.’
Toen verdween het lichtgevende deken en versmolt met de zieltogende planeet. Vasha offerde zich op om het losgelaten kwaad van haar broer te neutraliseren. Dat lukte maar half, haar kracht die zich over de hele planeet verspreidde kon het kwaad maar amper in bedwang hou-den.
Daaraan dankte deze wereld haar naam tot op de dag van vandaag. Al-Udra (Ons Aller Moe-der).
Maar Malek zou het hier niet bij laten. Ziedend over zijn gedwarsboomde plannen creëerde hij een zwart gat dat Aludra dreigde op te slokken. Zwaar verzwakt door het verlies van zijn hamer en de creatie van het gat trachtte Malek zichzelf in veiligheid te brengen. Maar de Le-vensboom strekte daarop één van zijn gigantische wortels uit. Deze nam Malek in een wurg-greep en stuurde de tegenspartelende kwade god in een wurggreep en stuurde deze naar het hart van de maalstroom. Malek werd verzwolgen door het Zwarte Gat.
De machteloze god werd uiteengereten. Hij werd verspreid tot over de verste grenzen van het universum, niet meer instaat om zichzelf samen te rapen. En zo had de Levensboom, eens de Oppergod Entropos zowel zijn zoon als dochter verloren. Hij troostte zichzelf met het feit dat Vasha voor eeuwig deel uit maakte van zichzelf en Malek nooit meer het universum zou be-dreigen.
Dat is het einde van de 1ste Chaosoorlog, het leven gedijde op Aludra. De 10 rassen zochten hun eigen weg. Van de machtige Halfgoden die in de kruin van de Boom leefden tot de enor-me reuzen eronder en de mensen die samen met dwergen verdertrokken opzoek naar een land die ze het hunne konden noemen, allen leefden in overtuiging dat Aludra verlost was van Ma-lek en zijn kwaad.
Ze hadden het mis.



