De wind waait door mijn haren wanneer ik de geasfalteerde weg over raas. In de sidecar ligt slechts één rugzak, een zwarte met een oranje streep er over. Ik draag de tent en het eten. De rugzak is een stuk zwaarder nu. Ik ben blij dat ik de sidecar terug heb. Zo schiet het veel sneller op. Na twee weken geloof ik het nog altijd niet. De ambassade is tussenbeide gekomen terwijl ze duidelijk hadden gezegd dat we konden stikken als mislukkelingen. De nieuw verkozen minister kon het niet maken om ons allebei te laten gaan. Aan één schuldige hadden ze genoeg, zo heet dat. Het mes was van Yanis, hij was de schuldige. Simpel.
De bomen flitsen aan me voorbij. Eindelijk ben ik uit die stoffige vlakte, uit dat immense land met hun kloteminister, hun klotedouane en hun kloteberg. Rijen en rijen aangeplante bomen vervagen tot een streep als ik optrek naar honderdtwintig. Het is eenzaam zo alleen rijden. Aan de rand staat een lifter. Ik raas hem voorbij, geen lifters, geen mensen, alleen zijn, alleen,…
Jaren reizen, door de bergen, de bossen, vlaktes, zeeën, rivieren, savanne, woestijn naar een reisdoel dat we niet kennen. En waarom? Om niets! Maar toch zweten mijn handen als ik de bergpas voor me zie, daarachter ligt mijn reisdoel. Niet ons reisdoel. Dat is verleden tijd. Yanis is geëxecuteerd, dood en begraven. Het einde van mijn reis. Eindelijk rusten, eindelijk stil zitten. De bergpas raast voorbij. Er staat een groot gebouw in de immense grasvlakte die zich voor mij ontplooit, eenzaam en alleen. Her en der wat huisjes neer gestrooid.
Ik stop aan het gebouw en neem de rode sleutel die aan mijn sleutelbos hangt. 314 zegt het cijfer dat is ingekrast. Binnen staat een aardige man. Rekel Swigher zegt zijn naamkaartje. Hij is niet groot, begin de zestig en zijn haar begint her en der dun te worden. In zijn rode pakje ziet hij er redelijk ridicuul uit. ‘Wat kan ik voor u doen?’
Ik gooi het sleuteltje op de toonbank ‘Kluis 314.’ zeg ik.
Hij tilt zijn bril op en bekijkt het rode ding van dichterbij. ‘Goed, komt u mee.’ De man loopt me voor naar een aparte zaal. We stoppen bij een kleine kluis en hij maakt een uitnodigend gebaar. ‘Gaat u uw gang.’ Met trillende handen steek ik het sleuteltje in het sleutelgat. Krrr, klik.
Mijn reisdoel. Niet ons reisdoel. Dat is verleden tijd. Yanis is geëxecuteerd, dood en begraven. Het einde van mijn reis. Eindelijk rusten, eindelijk stil zitten.
Het deurtje zwaait open, er ligt een zwart koffertje in. Met een zucht haal ik het er uit en klik het open op een eikenhouten tafeltje dat in het zaaltje staat. Rekel fluit vol bewondering. ‘Tsjonge jonge, dat zijn me miljoenen. U moet minstens iemand vermoord hebben om zo’n hoeveelheid groene knakkers bij elkaar te krijgen. Jongens, jongens.’ lacht hij. Ik grijns.
Het koffertje klapt terug toe en ik wandel naar buiten. De sidecar laat ik staan, de rugzak met de tent en het eten ook. Ik wandel verder over de weg. Ik laat het allemaal achter. De wind waait. Het zwarte koffertje bungelt aan mijn pols. Eindelijk rusten, eindelijk stil zitten…
Het einde van mijn reis.



