Dit is mijn achtergrond verhaal voor een D&D ravenloft campain geleid door herr BENSHIN
Op een avond was het dan zover, we moesten van onze trainers aan elkaar vertellen hoe ons leven er tot nu toe uitgezien had. We moesten dit van elkaar weten, omdat we vanaf nu als een groep moesten kunnen samenwerken, vechten en leven.
Ook legden onze trainers uit dat het nuttig zou zijn om veel van elkaar te weten in het geval dat een ander zich voor één van ons zou uitgeven.
Er werden in dit kamp geen echte orders gegeven, en dus moesten we zelf maar bepalen wie als eerste zijn verhaal wilde vertellen. Er waren geen vrijwilligers, sommigen kenden elkaar al wat langer, maar niemand was genoeg op zijn gemak met de rest van de groep om zijn verhaal meteen te vertellen.
Zelf voelde ik me ook onzeker, ik zou ten slotte voor een groep staan, mijn leven te vertellen.
En dat vond ik niet zo'n prettig idee.
Maar aangezien niemand zichzelf voordroeg, en ik graag een band wilde vormen met mijn mede rekruten, stapte ik naar voren om mijn verhaal te doen.
Ik was echter wel onzeker, en onwennig begon ik te vertellen: "Ik ben, zoals jullie weten Puc. Het is altijd lastig om een levensverhaal duidelijk en goed te vertellen, maar als eerste die het hier doet ga ik mijn best doen.
Mijn aller eerste herinnering is dat ik achterna gezeten word door monsters. Het klinkt misschien vreemd, maar later zal alles duidelijk worden.
Ik was toen ongeveer 6 jaren oud, en liep door de stad om bij de smid een pas geslepen mes op te halen voor mijn ouders.
Ik had al vaker in de stad rond gelopen, maar de smid was verder weg dan ik gewoonlijk kwam, dus ik vond het eigenlijk wel eng.
Het mes lag al klaar. Ik liep zo snel mogelijk weer naar huis na het mes opgehaald te hebben. Toen ik net op weg was hoorde ik een toeter, en zag ik de poorten van de stad dicht gaan. Ik had geen idee wat er aan de hand was, maar overal begonnen mensen hun winkels te sluiten en naar binnen te gaan.
Ik liep wat sneller door omdat ik aan mijn ouders wilde vragen wat er aan de hand was, en waarom de poorten dicht gingen.
Ik liep naar de plaats waar mijn ouders een marktkraam hadden, ze verkochten kippen. Ik hoorde de toeter nogmaals, en keek naar de poorten, het ware zware poorten, en ze waren nog maar half dicht.
Toen ik bij de kraam van mijn ouders aankwam zag ik ze net wegrennen, naar het dichtstbijzijnde gebouw. Ik probeerde ze achterna te gaan, en ondertussen hoorde ik de toeter nogmaals, alleen dit keer werd het geluid plotseling afgekapt.
Ik keek naar de poorten, en zag dat ze open geduwd werden door de lelijkste wezens die ik ooit gezien had. Verbaasd stond ik stil, en keek naar de wezens. Ik was bang.
"Mijn ouders!" ging het door me heen, en ik probeerde weer bij het gebouw te komen waar ze naar binnen gegaan waren. Het was enorm druk op straat, iedereen rende, en rende mij omver. Toen het wat rustiger geworden was op straat zag ik dat de deur van het gebouw waar mijn ouders in zaten dicht sloeg. Ik rende erheen, en klopte, en probeerde binnen te komen, maar de deur bleef potdicht.
Toen zag ik pas waarom de deur dicht was, de monsters kwamen in een woeste golf de straat in gerend, en vernietigden alles wat ze zagen.
Ik zag zelfs dat ze een paar mensen, die niet aan ze konden ontkomen, in één klap het hoofd af sloegen. Toen werd ik nog banger dan ik al was, en rende terug richting het centrum van de stad, om een veilige plaats te zoeken.
Toen ik even omkeek zag ik dat de monsters een man te pakken hadden, en zijn armen uit zijn lijf trokken.
De doodsangst gaf me vleugels, en ik stormde verder en verder de stad in. Op sommige plaatsen zag ik nog deuren dicht slaan, maar ik was nooit dicht genoeg bij om binnen te kunnen komen.
Na nog een tijd van rennen en achtervolgd worden door de monsters kwam ik in een ommuurd deel van de stad aan, er zaten geen poorten in deze muur.
Alles binnen de muur was schoon en netjes, al had ik daar op dat moment geen oog voor. Alles wat ik wilde was veilig zijn.
Ik stormde een gebouw binnen waar de deur niet van dicht was, en stormde verder en verder naar binnen. Plotseling klapte ik ergens tegenop, het pakte me vast. Ik dacht dat mijn hart stil bleef staan, en dat er een monster was dat mij vast hield.
Ik vocht voor mijn leven met het monster, sloeg en schopte waar ik maar kon, maar het liet niet los. Het tilde me zelfs van de grond, en toen pas hoorde ik door alle angst heen een stem die dwingend zei me rustig te houden. En door de waas van doodsangst heen zag ik dat het een man was die mij vast had.
Ik keek om naar de deur, en zag dat die nog open was, en begon onsamenhangend te stamelen tegen de man dat de deur dicht moest.
Hij zei tegen mij dat er in een tempel nooit een deur mocht zitten, ook in de ze niet.
Ik probeerde hem toen te vertellen dat er monsters aankwamen en dat we zo snel mogelijk naar een veilige plaats moesten gaan.
Hij schudde zijn hoofd, en ik zette het bijna op een rennen, als hij dood wou zou ik zeker niet met hem meedoen. Hij hield me weer tegen, en wees naar buiten, waar ik de monsters aan zag komen. Alleen leken ze, nu er iemand bij me was die leek te weten wat hij deed, minder eng te zijn. Maar nog steeds stond ik te trillen op mijn benen van angst.
De man pakte een soort halsketting, en begon in een vreemde taal iets te zeggen. Telkens als hij een woord zei leek de lucht damp te vormen, en na enige tijd stonden we in een dichte wolk mist. Terwijl de man dit aan het doen was gingen de haartjes in mijn nek omhoog staan, en voelde ik een rilling over mijn rug gaan. Tegelijk voelde ik me ook beschermd, nu de monsters niet meer zichtbaar waren.
De man vond het echter nog niet genoeg, en trok me mee naar een nis in de muur. We gingen er in staan, en zagen soms grommende schaduwen langskomen. Ik was weer doodsbang, als ze ons hier zouden vinden waren we er geweest!
Plotseling voelde ik een klauw langs mijn buik gaan, en zag een monster op armlengte afstand van mij blijven staan.
Het monster trok een soort lang mes uit een schede aan zijn riem. De man die naast mij stond was echter sneller, en wist her monster knock-out te slaan met zijn mace. Hij trok het lelijke wezen bij ons in de nis. Ik ging zo ver mogelijk in de andere hoek staan, ik had echt genoeg van deze afgrijselijke monsters. Ook had ik nog de bibbers van het zo plotseling opdoemen van het monster.
Na een tijd die een eeuwigheid leek te duren hoorden we geen monsters meer, gelukkig maar, want de mist begon langzaam te verdwijnen. We zagen steeds meer van de ruimte waarin we geschuild hadden verschijnen, en ik was verbaasd dat we inderdaad in een tempel waren.
Rechts van ons stond een altaar waarop diverse offers aan de god van deze tempel uitgestald hadden gestaan, een groot deel was vernield of meegenomen door de monsters.
Links van ons en recht voor ons waren gangen naar buiten, daardoor waren de monsters gelopen, en de meesten hadden ons gelukkig gemist. De man vertelde mij dat de wezens kobolden genoemd werden, en dat ze door de winter uit de bergen gedreven waren op zoek naar eten. Voordat ik geboren was waren dus schijnbaar ook al van dit soort aanvallen geweest.
Hij vroeg hoe ik heette, en ik antwoordde dat ik Puc heette.
Ineens wilde ik heel graag naar mijn ouders, en ik zei door de tranen van de spanning en angst heen: "Pappa, Mamma?"
De man liep met me mee naar de plaats waar ik ze voor het laatst gezien had, het was moeilijk et vinden, de heenweg had ik totaal op niets anders gelet dan overleven. Uiteindelijk vonden we de kraam van mijn ouders, er lag veel bloed op de grond, en alle kippen waren verdwenen.
Gelukkig herinnerde ik me in welk gebouw mijn ouders zich verschuilt hadden. De deur was dicht, en alle ramen waren afgesloten. Ik klopte en riep om mijn ouders. De deur bleef dicht, en het was doodstil aan de andere kant. De man klopte hard op de deur, en zei dat de monsters, die hij kobolden noemde, weg waren.
Tot mijn enorme opluchting ging de deur open, ik zag mijn ouders nog niet, maar ik wist zeker dat ze ook daar binnen waren.
Nadat er een heleboel mensen naar buiten waren gekomen zag ik eindelijk mijn ouders, ik vloog naar ze toe. Verder herinner ik me niet veel meer van deze aanval, ik vermoed dat ik in slaap gevallen ben, door alle doorgestane gebeurtenissen.
Mijn ouders waren na de aanval erg veranderd, ze kozen Ezra als god, eerder waren ze nooit godsdienstig geweest. Ik vond het vreemd, maar ook wel fijn. Nu kwam ik namelijk wat vaker in de tempel waarin ik gevlucht was.
Ik ontdekte dat de man die mij gered had een cleric van Ezra was, en dat zijn naam Felix was.
Alles in de tempel was mij eerst vreemd, maar toen ik alles wat beter leerde kennen in het volgende jaar, voelde ik me er steeds meer thuis.
Mijn ouders hadden er gelukkig geen bezwaar tegen dat ik van de clerics leerde lezen en schrijven. Mijn eerste echte boek was: De Regels Van Ezra, waar ik zeer van onder de indruk was. Het schrijven vond ik erg lastig, ik was nooit heel goed in fijn handwerk, maar uiteindelijk had ik een behoorlijk schrift. Behoorlijk in de zin van "Te lezen", niet echt netjes dus.
Tegelijkertijd kreeg ik ook les in het mediteren een kunst die weinigen goed beheersen. Ik was geen uitzondering, en had veel problemen om mijn geest leeg te krijgen, om zo afgestemd te raken op de boodschappen van Ezra.
Ik was nog steeds vastbesloten om een toekomst in het pad van Ezra te volgen, en dus volhardde ik zoveel mogelijk in mijn lessen mediteren, lezen en schrijven. Helaas gaf mijn moeite met het mediteren meer problemen bij het volgen van mijn toekomstdroom dan ik ooit had verwacht, het bleek van vitaal belang te zijn dat je kan mediteren voordat je echt een cleric kan worden. En al wist ik met heel mijn hart dat ik het pad van Ezra zou willen volgen, het lot leek anders voor mij the hebben beslist.
De clerics hadden ook in de gaten dat ik zeer veel moeite had met de basis van hun levenswijze, en dus besloten ze om op mijn 12e jaar mijn ouders naar de tempel te vragen om samen tot een oplossing te komen. In de tijd voor mijn verjaardag deed ik nog veel meer mijn best dan anders, ik wilde zo graag cleric worden. Later bleek dat ik waarschijnlijk te graag wilde, en dat ik daar door waarschijnlijk een soort blokkade had opgeworpen tegen de meditatie.
Toen ik op mijn 12e verjaardag nog steeds niet in staat bleek om via meditatie dichter tot Ezra te komen werd er een bericht naar mijn ouders gestuurd om ze te vragen om in de tempel te komen overleggen over mijn toekomst. De weg van Ezra leek niet de mijne te zijn. Op de dag dat mijn ouders in de middag naar de tempel zouden komen voor het overleg, hoorde ik een toeter die me zeer bekend voorkwam.
Het was de noodtoeter.
Welk noodgeval dit was wist ik echter niet, ook al vreesde ik een aanval van kobolden. Ik zag iedereen zijn spullen snel wegbergen en een veilige plek opzoeken.
Plotseling zag ik mezelf voor me, een paar jaar jonger, en op de vlucht voor de kobolden die toen de stad aangevallen hadden.
Ik zag dat de poort weer te laat dicht was, en de kobolden naar binnen komen. Ik stond op de toren van de tempel, en overzag hoe de plunderingen door de stad trokken. Ik voelde me angstig, maar ook boos. Hoe konden de mensen van de stad zich voor de tweede keer zo laten aanvallen?
Overal werd wel iets gestolen, maar alles leek een doel te hebben. Een soort uit de hand gelopen "koopzondag" (of hoe ze dat hier noemen). Ik zag mensen wegrennen voor de kobolden, maar moest mezelf toen ook gaan verschuilen in de toren. Ik hoopte met heel mijn hart dat mijn ouders in orde waren, en bad tot Ezra om ze te beschermen.
Toen ik voorzichtig uit mijn schuilplaats de stad bekeek zag ik dat er dit keer ook huizen in brand gestoken werden, en dat mensen er als konijnen uitgerookt werden. Deze mensen werden opgewacht door kobolden met knuppels…
Ik keek niet meer tot ik geen geluid meer hoorde, ik was bang en misselijk van de slachting die ik had gezien. Toen ik weer keek zag ik dat er nog steeds huizen in brand stonden, maar dat de kobolden verdwenen waren. Ik ging heel voorzichtig de trap af om te kijken hoe het was met de anderen die in de tempel verbleven. Er bleek niets met ze aan de hand te zijn, allemaal hadden ze een mistgordijn opgeroepen om zichzelf en hun leerlingen te verbergen. Deze magie beheerste ik nog niet, door mijn onvermogen tot meditatie. Ik was dan ook wel een beetje jaloers tussen alle andere gevoelens door.
In de tempel was alles nog vrij goed op orde, de kobolden hadden het ditmaal schijnbaar niet aangedurfd om de mist te betreden. Wel waren alle clerics zeer snel weg, op zoek naar mensen die nog te redden vielen van de kobolden.
Zelf begon ik, nog steeds verbaasd over de aanval, naar het huis van mijn ouders te lopen, onderweg oplettend of ik ze zag. Onwillekeurig lette ik ook op de grond, op zoek naar iets waarvan ik nog niet wist wat het was. Ik zag mijn ouders niet, en liep verder en verder van de tempel weg. Naar hun huis.
Toen ik er aankwam voelde ik iets, er hing een soort drukkende sfeer. Een donkere aanwezigheid die zich in de buurt van het huis van mijn ouders ophield.
Ik was bang, er leek iets heel erg mis te zijn met de omgeving. Alles leek me te volgen.
Toch ging ik naar binnen, de deur was aan splinters geslagen. En binnen was het een enorme puinhoop. Ik zag bloed.
Een spoor van bloed verdween onder een kleed dat in een vreemde bobbel lag. Ik tilde het kleed op. Meteen liet ik het weer vallen, en rende ik naar buiten om mijn maag te legen.
Ik liep terug, en keek weer onder het kleed. Nu was ik voorbereid op wat daaronder lag. Nog vond ik het afgrijselijk, het was namelijk het in elkaar geslagen hoofd van mijn vader. En aan de bulten in het kleed te zien, lag de rest ongeveer een meter verderop, grondig van mekaar gescheiden.
Ik denk dat jullie begrijpen dat ik niet naar de rest ging kijken, dit vond ik al erg genoeg.
Bang voor wat dit waarschijnlijk betekende liep ik naar boven, er lag veel rommel over de trap verspreid, ook een vreemde roodbruine massa, waar ik niet meer over na wou denken.
Nadat ik de deur naar één van de slaapkamers open gedaan had haalde ik aanvankelijk opgelucht adem, er was hier niets vernietigd. Later vond ik dat wel erg vreemd, maar op dat moment dacht ik daar niet over na. Ik keek in de andere kamer, die net als beneden een grote rommel was. Maar mijn moeder kon ik nergens vinden. Ik was nog steeds boos en verdrietig, maar nu voelde ik me ook slap, mijn ouders, mijn vader dood, mijn moeder waarschijnlijk ook.
Buiten zocht ik verder, en ongeveer tussen ons huis en de stadspoort vond ik het. Het betekende dat mijn moeder niet meer in leven kon zijn. Het was haar medaillon, een mooi zilveren medaillon met de initialen van mijn ouders binnen in en van mijn zelf achterop. Voorop was een gravure van een vogel.
Ik nam het medaillon mee, maar vertelde aan niemand dat ik het bezat. Dit omdat zich er een vreemd verschijnsel in voordeed. Elke keer dat ik aan mijn ouders dacht lijken de initialen van mijn ouders iets licht te geven, en stromen dan langzaam vol bloed.
Als ik het sluit en weer open lijkt het weer een gewoon medaillon, dus ik heb geen idee wat ik er mee moet doen dan bewaren als een aandenken.
Ik ging terug naar de clerics, die ik als familie was beginnen te zien. Onderweg kwam ik er al een aantal tegen, waar ik het vreselijke nieuws tegen vertelde. Ze konden mij niet helpen. Eenmaal bij de tempel aangekomen zocht ik de "leider" van de tempel op, en vertelde wat er gebeurd was. Ik was er nog steeds niet overheen, en dus stond ik het heb half snikkend te vertellen. Gelukkig was het een rustige en vriendelijke vrouw, die mij rustig aanhoorde.
Ze gaf mij een keuze mee, die ik voor zonsondergang moest nemen. Ze konden namelijk mijn ouders terughalen uit de dood, maar voor mijn ouders zou dat een zeer groot trauma betekenen. Ze waren immers in hun eigen huis gestorven, en zouden er waarschijnlijk nooit meer kunnen wonen.
Ook zouden er een aantal gevaren verbonden zijn aan het terughalen, de magie die daarvoor nodig was zou ook ondoden van mijn ouders kunnen maken. Toen die mogelijkheid genoemd werd, had ik het gevoel dat mijn maag nogmaals omdraaide. Verder zou ik altijd met de vraag rond lopen of ik er wel goed aan deed ze teruggehaald te hebben. Het was een moeilijke keuze, omdat de tijd beperkt was. Na het vallen van de avond kon er met de doden die niet ingezegend begraven waren namelijk de vreemdste dingen gebeuren.
De wereld leek in te storten, eerst raakte ik mijn ouders kwijt, en daarna moest ik zo'n bijna onmogelijke keuze zien te maken. Hoewel ik, naar eigen zeggen, stevig in mijn schoenen sta werd dit me toch eventjes teveel.
Ik ging zitten in één van de zitnissen die de tempel rijk was, en begon te peinzen over de mogelijkheden. Zelfs probeerde ik in meditatie om raad te vragen aan Ezra, maar dit mocht nog steeds niet baten. Ik moest deze keuze dus zelf zien te maken. Temeer omdat ik het enige familielid was dat nog op deze planeet rondliep. Ik dacht lang, rusteloos voelde ik me, ik kon aan niets anders denken dan aan de moeilijke keuze die mij te wachten stond. Na lange tijd kwam ik eindelijk omhoog uit mijn zitnis, en ging naar de tempel "leider".
Het leek de zwaarste tocht van mijn leven, de korte wandeling naar de kamer van de leider.
Ik voelde me bedrukt, en torste de last van de door mij gemaakte keuze met me mee in mijn ziel. Ik wist dat ik juist gekozen had, en dat mijn ouders niet anders gewild zouden hebben.
De ontvangst was vriendelijk, maar ik zat in de put. Mijn toekomst hing af van dat ene antwoord, mijn ouders terugzien of niet. Ik kon niet met de gepaste nederigheid spreken tegenover deze machtige vrouw. Te veel in de ban van mijn eigen verlies vroeg ik haar: "Wilt u hun aarde zegenen?".
Verbaasd keek ze mij aan, ze had duidelijk niet verwacht dat ik deze stap zou nemen. Ik eigenlijk ook niet. Ook al zag ik in haar ogen dat ik de juiste beslissing genomen had, zag ik dat deze wijsheid haar verbaasde. "Weet je het heel zeker?", Vroeg ze mij. Ik antwoordde dat mijn ouders niet anders gewild zouden hebben. En dat ik voelde dat ik de juiste keuze had gemaakt.
Ondertussen waren alle gevonden lichamen en lichaamsdelen naar de tempel gebracht. Geen andere tempel had de mogelijkheden om de onze te assisteren in de taak de lijken te zegenen, om zo necromancers tegen te houden.
Ik ontdekte tussen de lichamen ook het lichaam van mijn moeder. Ik zag dat er diverse lichaamsdelen misten, het was een naar gezicht. Ik vroeg één van de doodgravers die met de lijken bezig waren om haar lichaam bij dat van mijn vader te leggen. Hierna moest ik rennen om mijn maag niet binnen de tempel te hoeven ledigen.
Jullie begrijpen dat ik nooit meer zo'n dag hoop mee te maken.
De begrafenis was een plechtigheid voor de hele stad. Mede omdat er meerderen tegelijk plaats hadden op deze afschuwelijke dag. Ik was "blij" om te zien dat de tempel "leider" mijn ouders hun laatste zegeningen gaf, voordat ze voor altijd in de aarde zouden rusten.
De daarop volgende dagen betwijfelde ik mijn keuze meerdere malen, de onzekerheid over mijn toekomst leek nog groter te zijn geworden, en ik had geen idee wat ik moest gaan doen. Achteraf ben ik blij dat de clerics me zelf door deze periode heen hebben laten komen. Het heeft me kracht gegeven. Ik bad in die tijd vaak tot Ezra, wetende dat meditatie het beste middel tot contact was. Toch bad ik. Ik had dat nodig om voor mezelf op een rijtje te krijgen wat ik met mijn verdriet en onzekerheid moest doen.
Na een aantal dagen durfde ik het aan om even buiten de stad een wandeling te maken. Ik was zeer op mijn hoede. Toen ik net de stad uit was voelde ik een soort bescherming om me heen vallen, en ontspande. Ik ging in een veld met wild gras zitten, en raakte van de zon na enige tijd in een soort trance, het leek of ik wegzweefde maar toch bleef waar ik was.
Naar de oefeningen die ik voor meditatie had gehad begon ik automatisch mijn geest leeg te maken. Door deze ontspannen houding leek er een last van mijn schouders genomen te worden.
Toen zag ik jullie.
In één korte flits.
Ik wist niet wie jullie waren, maar voelde dat mijn toekomst me naar jullie zou leiden.
Nee, ik ben nog niet klaar.
Ik ging na deze, voor mij ongebruikelijke, "meditatie" terug naar de tempel. Er bleek door de clerics een leermeester gevonden te zijn die mij als leerjongen kon gebruiken. Dit had ik totaal niet verwacht, en de herinnering aan de meditatie vervloog naar de achtergrond. Ik was verbaasd dat er een leermeester voor mij was, en nog verbaasder dat de clerics dit voor mij geregeld hadden. Ik had niet veel te zeggen in het wel of niet mee gaan, het was een deel van mijn lot. Er waren voor mij geen vaardigheden meer te leren als cleric, op dat stomme mediteren na.
Er kwam weer even een beeld voor mijn geest van die ene geslaagde meditatie, maar dat was zo snel weer verdwenen dat ik maar besloot om niets te zegen. Mijn leerperiode bij deze meester zou twee jaren gaan duren, en daarna zou ik zelf moeten kiezen. Of ik bleef werken voor deze meester, of ik zocht naar een andere manier om mijn lot te vervullen.
De nieuwe bestemming in mijn leven bracht me nieuwe inzichten in het leven, en ik kreeg door dit werk steeds meer zin om op avontuur te gaan.
Ik was namelijk soms hele dagen op weg, weg van de stad. Ik moest namelijk veel veldonderzoek doen tijdens het maken van de kaarten. Ik was namelijk in de leer van een professionele kaartenmaker.
Na een rustige leerperiode evenaarde ik de meester kaartenmaker in zijn kunnen. Mijn leerperiode was dus ten einde. Ik bleef echter nog enige tijd verbeteren op mijn kaarten, en overtrof zelfs mijn meester. Iets dat hij niet prettig vond.
Na een paar kleine problemen tussen mij en mijn meester, en veel dromen over het beeld van jullie dat ik gezien had, ging ik terug naar de tempel. Ook al kwam ik er zo mogelijk elke dag, nu wou ik mijn dromen en dat beeld delen met mijn cleric vrienden in de tempel.
De tempel was als een tweede thuis voor mij, ik voelde er een bescherming vanuit gaan. In de tempel ging ik op zoek naar Felix. Ik wou het met hem bespreken omdat ik hem na de dood meer en meer als een vader was beginnen te zien.
Gelukkig liep ik hem al snel tegen het lijf, en vroeg of hij eventjes tijd had. Hij had tijd genoeg, en we gingen even rustig zitten op een bankje net buiten de tempel. Ik vertelde hem van mijn tijd bij de kaartenmaker, en van het feit dat we het steeds lastiger vonden om goed met elkaar om te gaan. Na veel over dit onderwerp kwam ik als vanzelf op de dromen en het beeld dat ik gezien had. Hij was verbaasd, en vroeg me waarom ik dit niet eerder gezegd had.
Ik haalde mijn schouders op, en zei dat ik dacht dat het niet belangrijk geweest was. Hij was zo mogelijk nog verbaasder. Volgens hem heb ik op de dag van mijn meditatie eindelijk contact met Ezra gehad.
Hij vroeg me dan ook om terug te komen bij de tempel. Ik zou dit eerst moeten overleggen bij mijn voormalige leermeester, waar ik op dat moment kost en inwoning genoot. Hij had er geen problemen mee, en reageerde net iets overdreven vrolijk. Hij leek blij te zijn dat ik geen tweede kaarten winkel in de stad wou beginnen. Iets wat ik eigenlijk wel kon begrijpen. Hij vroeg me wel om nog een dag of twee te blijven, en leek in die tijd een stuk vriendelijker geworden te zijn tegen mij, wat mijn vermoeden van jalousie op mijn kunnen alleen maar versterkte. Ik bleef dus die twee dagen nog bij hem, ik had er geen problemen mee om hem in die tijd nog een paar kaarttrucjes te leren.
Op de laatste dag gaf hij me een pakje, en zei dat ik het pas mocht openen wanneer ik bij de tempel was. Ik bedankte hem hartelijk voor dit onverwachte cadeau, en ging met mijn spullen op weg naar de tempel. Bij de tempel aangekomen ging ik eerst even zitten om te kijken wat de kaartenmaker mij had meegegeven. Het waren een aantal mooie stukken gereedschap voor het maken van een kaart. Ik was zeer dankbaar hiervoor, maar later kocht ik toch maar een paar extra gereedschappen van het geld dat ik bij hem verdiend had. Dit ging daar schoon aan op.
Mijn opleiding in de tempel ging ditmaal veel voorspoediger, mede omdat ik een groot deel van de dingen al kende van uit de tijd die ik al in de tempel had doorgebracht. In de tijd die ik niet bezig was had ik vaak filosofische gesprekken met Felix, en vertelde hem eens hoe het gevoeld had voordat ik het huis van mijn ouders binnen gegaan was. En dat ik ook wel eens dat type gevoelens had gehad, maar dan in de zin van het veilig voelen in de tempel.
We hadden hierover nog vaker gesprekken, maar niemand scheen echt te weten waar het vandaan kwam. Velen dachten dat het een soort extra gevoeligheid was, anderen dachten dat ik beter verbonden was met Ezra. Iets dat ik zelf niet dacht.
Op een dag was ik een tijd buiten de stad geweest om rustig te kunnen mediteren. Toen ik terugkwam zag ik een paar mensen in vreemde zwarte kleren de stad in glippen. Ze deden erg veel moeite om niet op te vallen, maar hadden duidelijk niet in de gaten dat ik ze vrij gemakkelijk kon volgen. Ik volgde deze mensen naar het gedeelte van de stad waar de tempel stond, en zag ze da tempel van Ezra binnen lopen. Zelf ging ik via een geheime deur aan de achterkant van de tempel, die alleen open ging als de juiste energie ernaar gekanaliseerd werd.
Ik sloop naar binnen en zag de vreemdelingen staan praten met één van de andere clerics. Ik sloop naderbij, en ging in één van de zitnissen zitten lezen. Na een kort gesprek wat ik helaas niet had kunnen horen liepen ze langs mij heen naar de kamers van het tempelhoofd. Ze gedroegen zich netjes, en klopten aan. Na enige tijd zag ik dat de deur naar het vertrek van het hoofd open ging. Ik hoorde weer niet wat ze zeiden, maar ze werden binnen gelaten. Na enige tijd kwam er één van de clerics in opleiding naar mij toe, en vroeg of ik naar het tempelhoofd wou komen. Er was geen reden tegen mij gezegd, en ik was vrij gespannen toen ik de kamers van de tempel leider betrad. Ze vroeg mij te gaan zitten, en wees naar een stoel naast de vreemdelingen.
Ze begon met mij voor te stellen aan de mannen, die mij de hand drukten. Ze zeiden echter hun eigen namen niet. De mannen vertelden dat ze mensen van allerlei types zochten voor een speciale training. Wat voor training en wat voor mensen lieten ze niet los. Ik herinnerde me ineens weer het beeld van jullie wat ik tijdens mijn eerste meditatie had gezien, en voelde de drang naar avontuur.
Er werd gevraagd of ik interesse had, en ik antwoordde dat mijn opleiding nog niet helemaal afgerond was. Hierop zei het tempelhoofd dat mijn opleiding wel degelijk afgerond was, maar dat ze nog geen tijd had gehad om dat mij mede te delen.
Dit verbaasde me, omdat ik zelf nog niet het gevoel had dat mijn opleiding klaar was.
Ze vroeg mij of ik, dit wetende met de mannen mee wilde gaan naar de opleiding. Aan de blik in haar ogen zag ik dat ze eigenlijk al wist dat ik wou gaan, maar dat ik het zelf nog moest bevestigen. Dit gaf me het laatste duwtje, en ik nam de grote stap in het onbekende door toe te zeggen dat ik wel mee wou gaan naar deze opleiding. De volgende dag vertrokken we al naar de plaats waar deze opleiding gevestigd was. Ik kreeg onderweg niet veel los uit de mensen die mee reisden.
Toen we eindelijk aankwamen zag ik jullie, en wist ik dat ik de juiste keuze had gemaakt.
De rest kennen jullie.



