NOOT VOORAF
iedereen die van plan is ooit nog met me Vampire te spelen, leest dit niet. De achtergrond van deze vampier is erg gevoelige materie, en wetenschap erover zou heel wat spelplezier bederven voor alle spelers. Lees wat hieronder komt te staan dus absoluut niet, sla het over, en verheug je in onwetendheid over een aangenaam heerschap dat je ooit misschien zal tegenkomen op je nachtelijke strooptochten...
Mijn naam is Sebastian Shackleford. Ik schrijf dit, zodat de waarheid ergens op papier staat. De waarheid is een relatief begrip, en niemand beseft dat beter dan ik. Dit is mijn waarheid. Als ik de Finale Dood ontmoet zal ik haar recht in de ogen kunnen kijken.
Ik heb geen schrik van de Finale Dood. Het is zo ongeveer de enige zekerheid die ik heb voor mijn missie, maar ik heb er geen schrik van. Het enige wat ik nog bezit, is mijn onleven. Dat is de moeite waard om voor te vechten, maar niet om spijt van te hebben als ik het verlies. Dus dacht mijn meester dat ik de geknipte persoon was om deze zaak te doen. Ik ben een semi-professional, dat speelde allicht ook mee.
Ik werd op 4 november 1902 geboren in Oxford. Oxford in de USA, niet in Engeland. Het ligt vlak bij Detroit. Ik was thuis de jongste en ik geloof dat mijn vader blij was dat hij nog een zoon kreeg, na een eerste zoon en 6 dochters. Mijn vader heette Henry Shackleford, en hij verdiende de kost als eenvoudige arbeider. We hadden net genoeg om te overleven, maar ik geloof dat mijn jeugd tot mijn twaalfde de gelukkigste periode uit mijn leven was. Vader stierf toen ik twaalf was, bij een stom jachtongeval. Vanaf dan stond mijn broer David er alleen voor om ons achten in leven te houden. Maar hij was toen 21, en al een jaar getrouwd met een meisje dat Molly heette. Hij was verhuisd naar Detroit, waar hij een erg goeie baan had gekregen, waarover ik toen nog geen duidelijkheid had wat die precies inhield. Hij liet mij, moeder en mijn 6 zussen overkomen naar Detroit.
Molly stierf een jaar later bij de bevalling van haar eerste kind. Het was een meisje en David noemde haar Mary, naar de moeder van Molly. David werd erg bitter. Vlak daarop begon hij nog meer te verdienen. Ik zou later begrijpen waarom.
Toen ik veertien was, besloot hij dat ik geschikt was om mee te gaan werken. Ik was trots dat hij me voor vol aanzag. Hij nam me mee naar zijn baas. Dat was een dikke man met een bruin pak. Hij zat in een grote, lege loods in een leren fauteuil, en naast hem stonden 2 mannen met lange jassen. De 2 mannen rookten een sigaret, maar de dikke baas rookte een sigaar. David stelde mij voor als zijn jongere broer, en zei dat ik heel geschikt was voor ‘kleine klusjes’, en dat ik 100% betrouwbaar was. De dikke baas trok van zijn sigaar, en keek naar David, toen naar mij en toen weer naar David. Toen pas ademde hij met een zucht de rook weer uit, en besloot: “twee broers Shackleford, waarom ook niet.” Dat was dat, en ik werd aangenomen. Zo leerde ik ‘de baas’ kennen (die eigenlijk John Jones heette, maar zo natuurlijk nooit wou worden aangesproken), en zijn hele “firma”. Hij zou mijn loon aan David uitbetalen.
De ‘kleine’ klusjes bestonden vooral uit het ophalen en afzetten van pakketjes en brieven. Soms moest ik gewoon iemand een vreemde zin gaan melden. Wachtwoorden en paswoorden, denk ik. Ik werd het troetelkindje van de bende, en iedereen liep met me weg. De baas was trots op me, en David niet minder. Langzaam kreeg ik door dat dit niet gewoon een klein louche bedrijfje was, maar een heuse maffiabende. Het stoorde me allerminst. Het waren allemaal aardige kerels, die allemaal een beetje vader voor me waren. De baas was soms wat knorrig, maar betaalde goed en onderhield moeder en onze zussen toch maar. Ik zag niet in wat er zo misdadig was aan ons. Iedereen had een specifieke functie, en meestal vermoedden we enkel van mekaar wat we precies moesten doen. Ik geloof dat enkel de baas en zijn 2 adjudanten onze achternamen ook kenden. Alles gebeurde heel geheim. Ik wist wel dat David, die echt een potige kerel was, mensen moest ‘overtuigen’ om te betalen. Dat vond ik niet meer dan normaal. Ik voelde me goed op mijn gemak daar, en door de jaren groeide mijn band met David. We werden échte broers. Ook thuis bleef het altijd leuk, maar de afwezigheid van Molly en vader bleef altijd zwaar drukken op de sfeer. Op het werk zag ik David af en toe vrolijk, maar thuis nooit. Hoe slechter hij zich voelde, hoe beter hij mensen kon ‘overtuigen’.
Toen ik vijf jaar voor de baas had gewerkt (ik was toen 19), kreeg ik promotie. Mijn loon zou nog steeds worden uitbetaald via David, maar af en toe zou ik recht hebben op bonussen voor mezelf. De baas vond me een handige knaap zei hij, en hij vertrouwde me toe aan Sleutel Jack. Sleutel Jack was een rare kerel die een soort van paardengrijns had, die als hij ernstig was zó plots van zijn gezicht viel dat je het haast niet zag. Ik had hem zelden ernstig gezien, maar vanaf toen zag ik het vaker. Sleutel Jack heette zo, kwam ik te weten, omdat hij eenvoudigweg een Sleutel was. Hij ging er prat op élk slot open te krijgen, al gaf hij toe er soms wat tijd voor nodig te hebben. Sleutel Jack was de inbreker van de bende, en een verdraaid goeie. Hij zou me opleiden, nu ik te oud was om nog langer boodschapper te zijn, te mager om missionaris te spelen maar net mager en oud genoeg om het beroep van inbreker aan te leren. Zo werd ik Sleutel Jack zijn assistent.
Het was een prima job. Sleutel Jack was een vreemde maar aangename leermeester. Ik begon als assistent, maar hij behandelde me als gelijke, en toen ik 25 was stuurde hij me er vaak alleen op uit omdat hijzelf te oud werd voor sommige opdrachten. Nog een jaar later bood hij me aan om de titel over te nemen en mezelf Sleutel Sep te laten noemen, maar dat weigerde ik. Hij bleef mijn leermeester, ook al onderwees hij me uiteindelijk enkel nog theorie. Hij filosofeerde nogal over de waarde en schoonheid van informatie, over de waarheid en zo. Ik vond het interessant, maar brandkasten bleven interessanter. De meeste sloten waren relatief kinderspel, maar brandkasten bleven altijd een uitdaging. Maar ze waren wel het belangrijkste, want daarin zaten nu net de dingen die we nodig hadden: soms juwelen, maar veel vaker documenten…
Ik was 29, en David 38. Hij was ondertussen meer dan een missionaris die wanbetalers moest overtuigen. Hij had grotere verantwoordelijkheden, en ik vermoed dat het de executie van hardnekkige heidenen was, maar zeker ben ik niet. Hij leerde me erg goed schieten, dat weet ik wel. In elk geval stond het voor iedereen vast dat de baas een goeie zaak had gedaan met “de broers Shackleford” (al wist alleen hij dat we zo heetten – de rest noemde ons gewoon de broers).



