Het Zwarte Gat
Zomaar ineens was het er, pardoes in het midden van de weg, recht tegenover het huis van mevrouw van Hooregem. Een donkere inktvlek zo breed als de weg met een onpeilbare zwarte diepte. Zijn eerste slachtoffer was dominee De Rudder die al fluitend fietsend door het gat werd verzwolgen. “Hemeltje” zei hij en toen werd het stil. Vervolgens kwam Mon de postbode, hij parkeerde zijn glanzende rode postwagen net naast het gat en stapte uit. Saartje, die door haar slaapkamerraam met afgrijzen het lot van dominee De Rudder had aanschouwd, sprong recht. Met beide handen begon ze te trommelen op het raam om Mon te waarschuwen. Mon keek op. Hij zag Saartje naar hem staan zwaaien en met een brede glimlach op zijn gezicht zwaaide hij terug. Met de rug gerecht als een tinnensoldaatje draaide hij zich om, om naar de achterkant van zijn wagen te paraderen. Saartje gilde het uit, heftig trommelde ze op het slaapkamerraam. “Pas op Mon, het gat, het gat” Maar het was te laat, met een verrassend hoge gil verdween Mon in het duistere gat.
Het werd weer stil in de Zaanstraat. Saartje tuurde ongelovig naar het gat, alsof ze door het te wensen de dominee en haar postbode terug kon laten verschijnen. Maar het bleef stil in de Zaanstraat. In paniek rende Saartje naar de kamer van haar ouders. Zo zag ze niet dat mevrouw van Hooregem, die vol ongeduld op Mon aan het wachten was geweest, haar huis uitkwam en richting postwagen stapte. “Hallo, Mon. Mon, ben je daar? Moóóon” Ze was nog steeds Mon’s naam aan het roepen toen ook zij door het gat verzwolgen werd. Een roze, donzige pantoffel bleef als stille getuige achter op het asfalt.
“Mama, Pappa, kom vlug, de straat heeft onze postbode opgegeten!” gilde Saartje eenmaal aangekomen in de slaapkamer van haar ouders. “En de dominee ook, met fiets en al opgeslokt. Echt waar! Ik heb het zelf gezien.”
“Kalm Saartje” zei pappa slaapdronken “vertel eens rustig wat er is gebeurt”
Snel vertelde Saartje wat ze had gezien vanuit haar raam. In het verhaal van Saartje kreeg het gat wel plots lange grijparmen, scherpe tanden en lichtgevende ogen, maar dergelijke dingen doe je nu eenmaal als je acht bent. Mama en pappa keken elkaar verwondert aan. “Zie je wel” zei mama “Ik zei je toch dat die film te griezelig was voor haar.”
“Komaan zeg” zei pappa “Het ging over kabouters”
“En die gemene trol die in een hol op de loer lag met lange grijparmen, scherpe tanden en lichtgevende ogen. Ben je die soms al vergeten.” Antwoordde mama.
“Tja, ik denk dat je gelijk hebt, schatje” gaf pappa toe “Rustig Saartje, je hebt gewoon een enge droom gehad." Kom ik zal je terug in bed stoppen, het is nog maar zeven uur, dan kunnen we nog een uurtje of twee slapen.”
“Maar pappa ik heb het echt gezien, echt waar, ik was wakker en niet aan het dromen. Toe geloof me toch pappa” zie Saartje verontwaardigd
“Slaapwel schatje” riep mama terwijl pappa Saartje uit de kamer leidde. In haar kamer aangekomen spurtte Saartje naar het raam. “Zie je wel pappa, daar staat de auto van de postbode, maar de postbode is nergens te zien.” Pappa keek uit het raam. Hij zag de auto van de postbode staan met daarnaast de pantoffel van mevrouw van Hooregem. Pappa wist dat mevrouw van Hooregem en Mon goede vrienden waren. Toen hij de open deur van mevrouw van Hooregem zag trok hij snel zijn conclusies. Een gat met tentakels zag hij echter niet. In het midden van de straat was enkel de schaduw te zien van de boom van de buurman rechtover. Het was voor pappa zonneklaar dat Saartje haar fantasie en de griezelige film van de dag ervoor de redenen van zijn vroegtijdig ontwaken waren. Zonder verder omhaal stopte hij Saartje terug in bed en verliet de kamer. Aan de deur draaide hij zich nog eenmaal om; “Zo nu rustig verder slapen en niet bang zijn Saartje, probeer deze keer maar van iets leuks te dromen Pony’s of zo. Slaapwel” en pappa was verdwenen.
Zodra de deur dicht was glipte Saartje terug uit bed. Op haar tenen sloop ze voorzichtig naar het raam. Ze zag het gat nog steeds, goed er waren geen ogen, geen tentakels en zelfs geen scherpe tanden maar het gat was toch duidelijk aanwezig, hoe had papa dit nu kunnen missen? Oké, de schaduw van de boom viel over het gat maar die inktzwarte duisternis kon toch nooit van die boom komen. Had ze inderdaad gedroomd? Saartje besloot dat het tijd was om op onderzoek uit te trekken. Snel kleedde ze zich aan. Uit het nachtkastje naast haar bed nam ze haar zaklantaarn en gewapend met mijnheer Snuffel, haar knuffel, onder haar arm sloop ze de trap af richting achterdeur. Zachtjes opende ze de deur en liep langzaam om het huis richting het geheimzinnige gat in de straat. Aangekomen bij de rode postwagen schuifelde ze voetje voor voetje dichterbij. Bij de rand van het gat bleef ze staan. Vanuit het gat kwam een zacht geneurie, Saartje trok mijnheer Snuffel stevig tegen zich aan. Ze knipte haar zaklamp aan en scheen in het gat. Op de bodem van de put, ongeveer 5 meter dieper, zaten Mon en mevrouw van Hooregem dicht tegen elkaar aangeleund. Tegenover hen zat dominee De Rudder naast zijn kapotte fiets, goedlachs enkele hymnen te neuriën. Bij het zien van de lichtstraal uit Saartjes lantaarn keken ze allen opgelucht naar boven.
“Hallo” stamelde Saartje verwondert: “Alles in orde”
“Ja hoor” antwoordde de dominee “Het is hier heel gezellig mijn kind, maar nu zouden we er toch graag uit komen hoor." Kan jij ons helpen?”
“Tuurlijk dominee” antwoordde Saartje en ze liep zo snel als ze kon terug naar huis. Mama en Pappa hadden naast de telefoon de noodnummers opgehangen. Saartje wist echter niet goed wie ze juist moest verwittigen en dus belde ze hen allemaal. Tien minuten later werden pappa en mama plots opgeschrikt door luide sirenes. Eerst “Tati Tati” dan “Tuuuta Tuuta” vervolgens “Whiiiuuu Whiiiuuu” en daarna nog zeven andere sirenes die allemaal, stuk voor stuk voor hun huis stilhielden. Geschrokken sprongen mamma en pappa uit hun bed. Ze renden naar hun raam en keken naar buiten. Daar zagen ze net hoe de dominee uit een gat in de weg werd gehesen door een kraan van de wegenwacht. Eenmaal boven werd de dominee geholpen door twee brandweermannen overgedragen aan de verplegers van de ambulance. Iets verder op waren twee agenten bezig het verkeer om te leiden en de mensen van de stadsdiensten waren al bezig het gat op te meten. In het midden van al dit tumult stond hun dochter Saartje te praten met een gezette man die een sjerp om zijn middel droeg, de burgemeester. Mama en Papa keken elkaar verwondert aan. Vlug renden ze de trap af en via de voordeur renden ze de straat op. Daar werden ze al opgewacht door Saartje en de burgemeester.
“Mijnheer, Mevrouw; jullie kunnen trots zijn op jullie dochter. Zij is een echte heldin. Dankzij haar is erger voorkomen.” Sprak de burgemeester.
“Van nu af aan word de Zaanstraat de Saartje van het zwarte gat laan”
En zo gebeurde het. Toen Saartje de volgende maandag terug op school kwam werd er een groot feest gehouden waarop iedereen van het dorp aanwezig was.
Tot op de dag van vandaag is er in ons dorp een 'Saartje van het zwarte gat laan' met daarin het huis van Saartje. Enkel het zwarte gat is nergens meer te bekennen.



