Afgelopen zomer las ik een novelle van Couperus, Aan den weg der vreugde, die mij zo aansprak dat ik laatst voor veertig euro een tiendelige cassette met zijn hoofdwerken bestelde. Tot mijn milde verbazing bleek Couperus, die ik toch vooral associeerde met realistische verhalen als Eline Vere en Van oude mensen, de dingen, die voorbij gaan, ook verschillende fantasy boeken op zijn naam te hebben staan; in deze cassette in ieder geval de twee novelles Psyche (1898) en Fidessa (1899).
Dat het hier om fantasy gaat kan niet betwijfeld worden. Soms worden er nog wel eens vreemde fratsen uitgehaald om beroemde schrijvers binnen het genre te trekken - is het feit dat in Die Verwandlung de hoofdpersoon in een grote tor verandert voldoende om Kafka tot fantasy-auteur te bestempelen? - maar hier is het overduidelijk. Psyche gaat over de jongste dochter van een oude koning die heerst over het Rijk van het Verleden; er komen vliegende paarden in het verhaal voor, tochten naar de hel, dansende satyrs en een zwijgende Sfinx. Fidessa is het levensverhaal van een nimf die tussen de mensen terecht komt, mensen die altijd maar strijden en nooit hun harnassen uit kunnen trekken; haar tocht voert haar langs cyclopen die de wereld smeden, langs een boze tovenaar, en uiteindelijk terug naar de eenhoorn waarmee haar verhaal begon. Dit is fantasy, haast zo puur als je het kan krijgen.
Beide verhalen zijn novellen. Psyche is een hondertal pagina's lang, Fidessa minder dan zeventig. Ook thematisch hebben de verhalen een overeenkomst: ze gaan allebei over het ontdekken van de liefde. Fidessa is hierin het meest recht-door-zee: de nimf die de hoofdpersoon van het verhaal is kent, als nimf, noch liefde noch treurnis; en pas wanneer zij toevallig onder de mensen komt en daar de dappere maar weemoedige ridder Sans-Joye ontmoet, leert zij van beide de betekenis kennen.
Psyche is complexer, en kent ook meer hoofdpersonen: niet alleen Psyche en haar geliefde Eros (die de Koning van het Heden is), maar ook de oude koning (de enige in zijn land die gelooft dat er een Rijk van de Toekomst bestaat), de harde prinses Emeralda, de wijze prinses Astra en een naamloze satyr. Het gaat over liefde, en het contrast met wijsheid en macht; het gaat over tijd en vergankelijkheid; het gaat over zonde en boete. Dat laatste thema werd wat mij betreft wat minder geslaagd uitgewerkt, maar over het geheel genomen is Psyche een intrigerend verhaal.
Wat stijl betreft: je kan Couperus aanbidden of hem haten, en daarvan zal zeker een groot deel van je leesplezier afhangen. Fidessa begint bijvoorbeeld als volgt:
In de nacht scheen het woud onmetelijk van maagdelijke ongereptheid: zwart van reusachtige boomstammen en knoestige takken, die in het spoken der maan zich wrongen met een wanhopig gebaar van machtige strijdersarmen, als in één heroïsche marteling zwaar gespierder leden.
Zo spookte het woud een sombere kamp van bovenmenselijke atleten, roerloos geslagen door een vloek van voortaan eeuwig onbeweeglijk blijven in dit allerlaatste gebaar hunner titanenhartstocht: gigantenoorlog, in één seconde van noodlot versteend nu gedoemd.
Couperus is niet de hele tijd zo zwaar op de hand, maar toch regelmatig, en als dit proza je tegenstaat kan je zijn hele oeuvre beter links laten liggen. Zelf vind ik het heerlijk, en bekroop mij bij het lezen meer dan eens de wens een stuk hardop voor te dragen.
Wat mij bij het lezen van deze novellen vooral opviel, ook in contrast met zijn realistische boeken, is dat Couperus geweldige beelden tevoorschijn kan toveren. Behalve in het mythisch-thematische van de verhalen zit in de kracht en de rijkheid van de beelden natuurlijk een groot deel van de aantrekkingskracht van fantasy. Ik wil niet te veel weggeven, maar wanneer Couperus bijvoorbeeld de zegetocht van Emeralda beschrijft springen de woorden echt van het papier in een felheid en helderheid van kleuren en emoties die een groot schrijver waardig zijn. Ik zal een paragraaf citeren.
Zij stond onwrikbaar en mende haar rossen, haar vier-en-twintig schuimbekkende hengsten, steigerende schimmels, die trokken haar zegekar, brede schulp van email, op ontelbare raderen, op snijdende wielen, zovele, dat zij geleken te dwarrelen het een door het ander: één wentelende verwarring van spaken. De zonglans-uitwaaierende verschrikking raderde pijlsnel aan. En plotseling, herlevende uit verstening, danste dol weer het volk en jubelde zijn zelfde juichkreet uit. De rinkelbommen klingelden, de witte rozen regenden, en voor de Vorstin viel het volk ter aarde en plaveide met lichamen haar pad. De schimmelhengsten schuimbekten en steigerden; zij naderden, zij naderden, zij trappelden over de eerste lijven heen: mannen en vrouwen, meisjes en kinderen, voor feest getooid en met bloemen vertuit... Over haar volk heen reed Emeralda; de talloze raderen ratelden, spaakwarrelende, wentelende, snijdende voren in vlees en in bloed, bloed en mensenvlees tot modder. Maar verder-op dansten zij, verderop zongen zij, vóór zij zich wierpen voor haar Triomf...
Je ziet wat ik bedoel.
Zijn deze novellen aan te raden? Ja, absoluut, maar alleen aan hen die de stijl van Couperus kunnen waarderen. (Nog een voordeel: de middelbare scholieren onder ons kunnen ze ongetwijfeld op hun boekenlijst zetten.)



