De Vuurbergen liggen tussen Lithenia en Ich Magrûl, het is een gevaarlijke en onbekende plaats waar mensen liever weg blijven. Veel orken hebben hun toevlucht gezocht in deze bergen door de repressie die Ich Magrûl op dit ras uitvoerde. Ook de overlevenden van de heilige oorlog die Yaba Um Salav, de profeet, had opgestart tegen Ich Magrûl en Maltaur zijn wraakzuchtig de bergen in gevlucht.
‘Een plaats waar je beter niet naartoe gaat,’ zeggen ze, maar ja… ze zeggen zoveel. Ik hechtte er geen geloof aan, totdat ik het verhaal van Sir David Goodfellow van Celestia hoorde. Sindsdien wantrouw ik de vuurbergen ook, zoals ieder ander mens zou moeten doen…
De voorspelling was duidelijk, de tekenen waren helder. Hij en alleen hij zou de Graal kunnen vinden. Alle anderen zouden vruchteloos van hun tocht terugkomen, zoals diegenen die de profetie verkondigden. Zij hadden in hun dromen op hun tocht gezien wie de enige rechtmatige Graalridder mocht zijn, zij wisten wie deze Eer aankon, zij verkondigden dit, opdat ook hij het zou weten…
Zo kwam het dat Heer David Goodfellow, verre afstammeling van de oude kroon, huidig landheer van Escaltia, op zijn Heilige tocht vertrok. David nam zijn trouwste paard mee, een enorm dier dat al vele keren met geheven hoofd het gevecht had getrotseerd. Hij bellade het met een ijzeren harnas, proviand en een kleed met het oude wapenschild van zijn geslachtslijn, speciaal gemaakt voor deze tocht. Zelf tooide hij zich in versterkte maliën, hij bond zijn schild op zijn rug en zijn zwaard aan zijn zij. Zijn tweehander ruste op de flank van zijn paard en aan zijn lans wapperde trots de vlag met zijn wapenschild. Zo vertrok David Goodfellow naar de vuurbergen, op zoek naar iets waarvan hij slechts een idee had wat het was.
David reed en reed, hij zag wonderlijke dingen, doorkruiste landen die hij nog nooit had bezocht. Hij zag onrecht en liefde. Hij kreeg onderdak of werd buitengejaagd. Soms was de wereld vriendelijk en soms zat alles hem tegen. Toch was alle tegenslag die hij te voortduren kreeg het waard geweest. Een aanblik op de vuurbergen vergeet je niet, ze zijn groot en lijken eindeloos door te gaan. Sommigen zeggen dat het komt door de aanwezigheid van mystieke bronnen dat de bergen dit uiterlijk hebben gekregen. Sommigen zeggen dat de goden ooit aan Hegemonie hebben gepulkt en dat zo de Vuurbergen eruit zijn getrokken. De bossen had hij al een tijdje achtergelaten en hij stond nu aan de voet van deze adembenemende plaats.
David Goodfellow zuchtte verheugt, zette de hielen in de flank van zijn paard en reed de bergen in. Terwijl hij een vrolijk dorpsliedje floot reed door de pas voor hem. Het fluiten weerklonk tussen de stenen waar hij tussendoor kwam, het geluid sloeg tegen de wanden van de pas en bereikte terug zijn oor zodat hij na een tijdje een ware kakofonie van geluiden te horen kreeg. Het klonk helemaal niet meer als het vrolijke dorpsliedje dat hij zo goed kende. David glimlachte en toen het geluid te erg werd hield hij op met fluiten. De hele bergketen leek nog een tijdje na te zinderen van zijn vrolijkheid, alsof de Vuurbergen geen vrolijkheid gewend waren. Het was dan ook adembenemend stil toen het laatste geluid weg stierf.
Met een gezicht van pure vreugde reed hij verder. Wat wonderlijk, dacht hij, dat iets dat zo'n geluid kan produceren plots zo stil kan zijn. Hij glimlachte. 'Moest ik zo'n geluid produceren ik zou de hele dag zingen, wat jij?' vroeg hij aan zijn paard. Het volgende moment barstte hij weer uit in een luid gezang. Zijn bariton droeg ver, doorheen de passen en dalen van de Vuurbergen, over de eindeloos uitgestrekte vlakten, die er hoogst waarschijnlijk wel zouden zijn...
Toen hoorde hij een hartverscheurend gejammer van een man, het deed David pijn aan de oren na zijn uren van geluk. Het gejammer weerklonk doorheen de passen en dalen van de Vuurbergen, over de eindeloos uitgestrekte vlakten, die er hoogst waarschijnlijk wel zouden zijn...
Vlug gaf hij zijn paard de sporen, klaar om een persoon in nood te helpen! Na enkele passen merkte hij echter dat hij niet wist waar het geluid vandaan kwam. Hij hield zijn paard weer in en spitste zijn oren, het geluid kwam van rechts, of nee, van links, of kwam het nu van daarboven? ’Waar ben je?’ riep hij. ’Ik kan je niet vinden!’
Het gejammer hield even op, een verbaasde zucht weerklonk. 'Wie bent u?' de vraag kaatste door de bergen.
'Ik ben David Goodfellow.' luidde het antwoord. 'Verre afstammeling van de oude kroon, huidig landheer van Escaltia Waar bent u, kan ik u helpen?'
'Ik ben hier!' riep de weeklagende man. 'Bij de bron.'
David zuchtte, dit leidde nergens heen. 'En waar is de bron, beste man?'
'Hier!'
Het was duidelijk dat David niet op zijn geografische kennis kon afgaan om de man te vinden. dus reed hij stapvoets door, aldoor met de man pratend. Als hij de kloof uit kwam stopte de stem met weergalmen. David lokaliseerde het geluid ergens rechts van hem.
Hij reed op het geluid af. Telkens als hij even twijfelde waar hij heen moest vroeg hij de man om nog eens te roepen…
En David reed en reed, nu niet meer fluitend. Op een bepaalt moment riep de man. 'Hier rechts!' David keek naar de toegeroepen richting. Daar zat inderdaad een man. Hij zat op een helling op een platte steen, een bronnetje welde naast hem op. De man was een beetje angstig en kroop wat achteruit toen David in de buurt kwam. 'Wie bent u en wat doet u hier in deze godverlaten bergen?' vroeg hij met een piepstemmetje.
‘Uhm, ik ben David en het is mijn meest begeerbare en eervolle queeste om de heilige Graal te vinden en hiervan te drinken. Toen ik hier door de pas passeerde hoorde ik U roepen. Ik dacht dat U in nood verkeerde, dus kwam ik u redden.’
'Ik ben niet in nood!' jammerde de man. 'Mijn dochter is degene die u moet helpen!' Hij stond recht, nam Davids schouders vast en schudde hem door elkaar. 'Je moet me helpen!'
'Rustig oude man, rustig.' David fronste zijn wenkbrauwen. 'Wat is er mis?' De man wist even niet waar hij het had en antwoordde niet. Hij was zwaar aan het ademhalen en trilde wat op zijn benen.
'Mijn dochter.' stamelde hij. 'Mijn dochter is meegenomen door een stel plunderende orks.' de man begon te hyperventileren. 'Ik ben maar een gewone boer. Ik woon in Ich Magrûl,... en plots vielen die orks ons aan...branden alles plat...namen mijn dochter mee...ik weet ze zitten, ik heb ze gevonden...maar ik kan er niet naar toe, ik overleef het niet, ik kan er niet naartoe... ze zijn met teveel...' De man klampte zich aan David vast. 'Het is een eindje hier westwaarts, tussen de rechtopstaande stenen in de grot...ze zijn met teveel.' Hij schudde David weer door elkaar. 'Help mij, help mij!'
De man zeeg aan Davids voeten in elkaar en kroop terug op de steen, het bronnetje klaterde vrolijk.
David zweeg even, nam dan zijn tweehander en keek met vooruitgestoken borstkas in de richting die de man aanwees. Even stak er een windje op dat zijn haren deed wapperen en ook leek het een beetje te toevallig dat net op dat moment de zon achter een wolk vandaan kwam.
’Ik zal je helpen,’ verklaarde David toon me de weg!
De man kroop recht en nam David bij de arm. 'Je kan best niet op je paard gaan zitten. De paadjes zijn stijl en als je je paard niet goed genoeg onder controle hebt, kan het zo weg glijden en dan lig je beneden.' Hij trok David verder, het paard liep aan de teugel mee.
Na een tijdje wist David niet meer waar hij liep en was hij zijn gevoel voor richting volledig kwijt. Rechts, links, rechtdoor, tweede rechts, schuin naar achter en dan naar links, even dalen en dan… hij was het kwijt. De enige aanwijzing die hij nog had was de man die voor hem liep en die bleef hem maar bedanken. Continu, totdat David en zijn metgezel aan een vlakte kwamen. Aan de rand van de vlakte hield de arme man stil 'Sstt.' hij duwde zijn vinger op zijn mond. 'Het is daar.' Hij wees naar een grot aan de overkant. In het midden van de grasvlakte stonden inderdaad twee rechtopstaande stenen. David kon de grot er mooi tussendoor zien liggen.
David besteeg zijn paard en stak de vlakte over, voor de grot gekomen hield hij zijn paard even in en tuurde naar binnen.
Binnenin was het aardedonker, hier en daar groeiden wat mossen op de wanden. Maar hij hoorde geen geluid of merkte geen beweging.
Als ervaren rot in het riddervak had David altijd wel een fakkel bij. Met zijn tondelroede maakte hij de fakkel. Niet geheel zonder trots hield hij zijn creatie in de lucht enkel om teleurgesteld te moeten merken dat er niemand is om indruk op te maken. Hij hief zijn schouders op en begaf zich voorwaarts in de grot, zwaard in de rechterhand, fakkel in de linker en schild op de rug. Zijn paard liet hij buiten staan, tenzij het in levensgevaar was zou het dier blijven waar David het heeft achtergelaten. De grot liep even rechtdoor, vernauwde zich dan en maakte een bocht.
Hij slaagt de bocht om en tuurt in het donker. In de verte hoorde David lawaai, als hij er voorzichtig naartoe wilde stappen hoorde hij een pijl naast hem tegen de rots ketsen. Geschrokken keek hij op. Er landde nog een pijl vlak voor zijn rechtervoet. Plots sprongen er twee orks uit de schaduwen met getrokken zwaard terwijl de pijlen hem bleven bestoken, ze hadden hem nog niet geraakt, maar ze begonnen accurater en accurater te schieten.
David stak zijn fakkel in de grond, zocht dekking achter een rots en nam snel zijn schild van zijn rug, dan stond hij weer recht en wachtte de orken op.
Het schieten hield even op. Nu de fakkel niet dicht bij David lag, vormde hij geen perfecte schietschijf meer. Een van de twee orken met het zwaard liep naar de barst in de muur, nam de fakkel en gooide hem weg. Met een sissend geluid doofde hij uit. Het was volslagen donker. Het enige dat David hoorde was het bewegen van orkenvoeten over de rotsbodem. Ze waren met meer dan hij had gedacht.
De duisternis drukte op hem, de lucht was bedomd. Waar wachtten ze op? Vroeg hij zich af terwijl hij het vest van zijn zwaard beter omklemde met zijn zweterige handen. Plots raakte een lemmet zijn schild, met een schrapend geluid gleed het er af. David dook verder weg achter zijn schild en incasseerde de volgende klap.
Hij zag zo weinig... Weer incasseerde hij een klap. Een blindelings afgeschoten pijl ketste een eind boven zijn hoofd af. 'Niet schieten!’ hoorde hij een ork roepen. 'We hebben hem in het nauw gedreven!'
Plots realiseerde David zich dat hij op een heilige tocht was, hij moest zijn moed tonen. Hij sprong vooruit en wild sloeg hij naar alles dat hij zag bewegen. Met vooruitgestoken zwaard maaide hij in het rond zonder echt te zien of er iemand stond.
’Ha! niet alleen zijn jullie te laf om in het licht te vechten, jullie moeten ook nog samenspannen om mij te bedreigen. Vuile eerloze beesten!’
Een ork gaat neer, misschien twee,... drie. David weet het niet, hij kon de kreten van orken niet uit elkaar houden. Ze schreeuwden allemaal hetzelfde. Plots sprong er iets in zijn nek, hij viel naar voor, zijn zwaard schoot uit zijn handen en viel met een luid gekletter op de grond. De orken schreeuwden van jolijt. David grabbelde wanhopig naar zijn wapen, maar voordat hij zijn zwaard kon pakken zaten er vier orken op zijn rug. Ze beukten met hun vuisten op zijn nek. David greep naar achter en kreeg een ork te pakken. Hij trok en gooide hem van zich af. Met een doffe klap en een piepend geluid hoorde hij hem tegen een rotswand vliegen. Dan hoort hij iets suizen en krijgt een zware klap op zijn achterhoofd. David kokhalsde en hij verwelkomde de duisternis...



