Dit verhaal speelt zich af in Hegemonie (kaart).
Het relaas van Ragnar Ulfson
Ragnar, zoon van Helga en Ulf, was derde zoon uit een gezin van twee zonen en een dochter.
Zijn jeugd was die van zovele in zijn dorp. Al spelend leerde hij met zwaarden en andere wapens vechten.
Boogschieten ging hem ook wel af, hij was altijd degene die de hoofdvogel schoot.
Maar er hing de eeuwige schaduw van de jongste over hem. Hij zou de boerderij nooit erven, dat was zijn broers, de eerstgeborene, recht. Dus, toen hij zijn zeventiende levensjaar bereikt had besloot hij de ouderlijke boerderij te verlaten.
Een jaar lang zwierf hij van hot naar her. Hij was bijna overal in Midgard geweest, maar ook eens in Stogstheim als boodschapper.
Tot op een moment dat hij te gast was bij een van zijn vorige werkgevers. Deze had vele krijgers bij hem verzameld. "Vrienden, Broeders" Sprak hij hen toe in de grote hal. "De tijden zijn bar." Begint hij grimmig "De oogsten zijn niet wat ze moeten zijn en de dieren blijven mager." "Maar de landen in het zuiden hebben zulke tegenslagen niet gehad. Hun schuren zitten vol met graan en hun huizen vol met goud en zilver." "Waarom zouden wij ze daar niet eens een 'bezoekje' brengen?". Eindigt hij, met een grote grijns op zijn gezicht. De aanwezige mannen heften onder luid gelach en geroep hun drinkhoorns de lucht in. "Bij Odin!" "Bij Thor!" "Goud en zilver!".
Enkele dagen later scheepten ze in de beruchte Drakars. De rode zeilen bolden en brachten hen richting kust van Kinaï.
De zenuwen stonden strak als een boogpees zodra de kust in zicht kwam. Doodstil was het op de boot.
Tot het moment dat ze strandde op de kust. Allemaal sprongen ze brullend als leeuwen over boord, richting kust.
Ragnar was gewapend met zwaard en schild.
Zodra hij de verbaasde mensen in het dorp tegen het lijf liep strekte hij zich uit en zwaaide hij in het rond. Eén, twee, drie mensen vielen levenloos neer.
Hij, samen met enkele andere, liepen naar het grootste gebouw van het dorp. De deur werd opengebeuk, de aanwezige kostbaarheden meegenomen.
Op de terugweg naar het schip werd er bijna geen tegenstand meer geboden, niet dat er nog veel waren om tegenstand te bieden...
Zodra alle levende terug bij het schip waren werd het gauw terug vlot getrokken en waren ze op weg naar huis, naar Midgard.
Op de terugweg waren er af en toe vreemde schepen aan de horizon te zien, geen Midgardsche, eerder elfs en zuiders van ontwerp, ze werden dus zo goed en zo kwaad mogelijk ontweken.
Eens terug werd er een groots banket georganiseerd en de buit verdeeld.
Verhalen over andere plundertochten sijpelden binnen, het een al succesvoller dan het andere.
Ragnar had terug geld, maar geen doel meer. Dus begon hij weer rond te trekken op zoek naar iets nieuws.
Het duurde niet lang of hij hoorde het gerucht dat de Koning mensen zocht voor ‘Een expeditie’. Altijd belust op avontuur ging hij erop in. Het bleek een expeditie naar Tulboras te zijn, georganiseerd door het leger.
Dus trok hij, samen met vele anderen naar Noordwest Tulboras.
Aldaar werd er getracht het gebied onder controle te krijgen. Dat lukte vrij goed, tot de stammen terugkeerden van hun vergadering. Toen de heersers van de paarden kwamen onderhandelen stond Ragnar erbij. Toen er besloten werd om terug te trekken, was hij bij diegene die mee achterbleef. Dat is waar ragnar voor leefde, ’s nachts toeslagen, spoorslags verdwijnen, leven van wat je plundert en vind. Maar dat kon ook niet duren. Hij werd teruggeroepen, de operatie afgeblazen.
Hij keerde kort huiswaarts, waar zijn broer de boerderij had overgenomen. Maar het duurde niet lang of Ragnar voelde zijn bloed weer borrelen, het avontuur lonken. Van zijn broer had hij te horen gekregen dat er tijdens zijn verblijf in Tulboras kolonies waren gesticht op de kusten van Oran-San. Dat was echt Ragnar’s ding. Samen met zijn kersverse vrouw trok Ragnar naar de meest oostelijke kolonie. Het koloniale leven was hetgeen waar Ragnar was voor geboren was. Hij ontpopte er zich als een echte leider, de kolonie bloeide, kende welvaart. Het leven was er hard, maar eerlijk, zo mogelijk nog harder dan in het thuisland. De strenge winter werd overwonnen.
Op een prachtige hoogzomerdag. Vanachter de horizon verschijnen plots bloedrode vierkante zeilen, Drakkars. Als ze binnenlopen in de natuurlijke haven blijkt het een expeditie te zijn, op zoek naar onbekend land, blijkbaar op aanwijzingen van een vreemdsoortige elf. De elf, staande op een krat zat heel de tijd maar eenzelfde lyrische aanwijzing te geven, blijkbaar was het niet naar de zin van de leider van de expeditie. Alle expeditieleden werden uitgenodigd op een afscheidsfeest. De volgende ochtend stond hij, samen met zijn vrouw en hun pasgeboren zoon op de kade, en hij dacht over zijn dagen als avonturier. Die heeft hij achter zich gelaten, sinds zijn zoon geboren werd, slechts een kleine maand ervoor.
Geruchten gaan snel en ver.
Zo ook het gerucht dat Ragnarock niet meer ver zou zijn en de reuzen in aantocht zouden zijn.
Ragnar was altijd al een nuchter persoon geweest. Geruchten waren nooit aan hem besteed, maar toch. De mensen in de kolonie pleitte voor maatregelen, Ragnar had er wel oor naar. De versterkingen werden extra nagekeken, de mensen extra bewapent. De sfeer was gespannen, het leven ging zijn gewone gang, mar er hing iets…. geladen in de lucht.
Plots was het zover. Plots kwamen de geelhuidige reuzen uit het water. Plots was iedereen paraat. Plots stond Ragnar vooraan de gelederen. Plots stond eenieder die een wapen kon hanteren in de gelederen.
"Als ik moet sterven" dacht Ragnar "Dan doe ik het met eer". “Voor Thor! Voor Odin! Aanvallen!!!” Schreeuwde hij, en de mensen stormden voorwaarts.
De knotsen van de reuzen gingen op en neer, de zwaarden en bijlen van de mensen ook. Met een laatste zwaardslag velde Ragnar een reus, het was zijn laatste slag. Een knots viel neer op Ragnar. Nu hun leider dood was, zagen de mensen van de kolonie het hopeloze van de situatie in, niemand zou het hen ooit kwalijk nemen. Ze vluchten, ze verspreidde zich naar het binnenland van Oran-San.



