De boten van Salvièra waren niet zo heel groot, de vele rotsformaties voor de kusten verhinderden dat grote oorlogsschepen makkelijk in Salvièra kunnen binnen varen, maar het omgekeerde telt ook. Met niet al te grote, wendbare schepen trokken ze dus naar Vastland om daar orde op zaken te gaan stellen. Als de eerste boten landen op een klein vooreilandje van Vastland is het er benauwend stil. Er staan geen vissersdorpen en er drijven nergens bootjes rond van de Vastlandse trollen. Hier en daar ziet de bemanning nog kapotgeslagen overblijfsels van de nederzettingen die er waren voor de grote golven. Snel en vakkundig wordt het kleine eilandje uitgekamd, ondertussen wordt er een kamp opgeslagen en in de grote dampende schaftenten zaten soldaten gezellig onder elkaar te palaveren boven een kom hete brij. Het hoofd van de legerkeuken was een magere man die met priemende ogen achter zijn kombuis stond en iedereen in het oog hield. Hij zag er zo misschien niet uit, maar hij was bezorgt om wat de soldaten van zijn eten vonden. Veel was het niet, maar ze moesten roemen met de riemen die ze hadden. Ondertussen is een klein deel van de boten nog terug gevaren om een tweede lichting soldaten op te halen die in de havens klaar staan.
Omdat de bootjes klein zijn en er niet zoveel boten zijn moeten ze twee keer varen, nu ja, geen probleem. Het kamp waar de mensen die al waren aangekomen in zaten was veilig en het eiland was gezuiverd. Geen enkele trol die goed in zijn hoofd was zou zo’n macht aanvallen terwijl ze op het scherpste van hun waakzaamheid waren.
De volgende dag waren alle troepen aangekomen en systematisch beginnen de Salvièrische soldaatjes de kleine eilandjes te zuiveren, maar veel vinden ze niet. Af en toe stuiten ze op een trollenlijk, opgezwollen door het water en half gerot. Geen prettig zicht om te zien, op sommige eilandjes staan nog kleine dorpjes, aan een baai of een andere inham. Waarschijnlijk is de baai rijk aan vis en de koks kunnen het dan ook niet nalaten om ’s avonds een lijntje uit te gooien in de baai. Ze hebben die avond een vervallen nederzetting als kamp gekozen. Een aantal houten huisjes staan nog recht, die zijn voor de legerleiding.
De sfeer is goed, ze hebben al een eilandje of vijf uitgekamd in twee dagen en ze hebben nog niet moeten vechten. Omdat er heel veel eilandjes zijn rond het rgrote eiland van Vastland besluiten de legeraanvoerders hun troepen in stukken te splitsen, de mensen die niet in een keer mee op de boten passen blijven om het basiskamp te bewaken, de andere groepen kammen elk apart een eilandje af. Veel efficiënter, en er gebeurt niets dat echt het vermelden waard is, behalve misschien dat er op één eilandje trollen werden aangetroffen, ze waren niet agressief.
Op een bepaald moment, ongeveer een derde van de kleine eilandjes is doorzocht, besluiten de soldaten terug te keren naar hun kamp, de avond begint te vallen.
Ook in Kinaï zijn ze vol goede moed vetrokken, met een grote vloot, volgestouwd met soldaten en roeiers leggen ze de mijlen over zee af tegen een redelijke snelheid. De bootsmannen moeten er nog altijd aan wennen dat er geen getijden meer zijn en ze komen dan ook iets trager vooruit dan normaal. Na een lange boottocht komt het eerste eilandje in zicht, er wordt besloten dat ze tussen de kleine eilandjes direct naar het grote eiland gaan voort manoeuvreren.
De machtige Kanaïse vloot vaart verder, na een tijd weerklinkt er geroep en geschreeuw. De vloot ziet een provisorisch opgetrokken dorp staan. Op de kusten keren vissers haastig terug naar wal en de soldaten horen een zacht geschreeuw hun kant op komen. Het dorp staat in rep en roer.
Jullie mogen antwoorden in de topics die jullie zelf hebben aangemaakt voor deze oorlog.



